Inhoudsopgave
    

‘Functie belangrijker dan fysiek product’
Miranda Hoogervorst
door Miranda Hoogervorst
leestijd: 7 min

Sinds 1 november is Jeroen van Erp aangesteld als praktijkhoogleraar aan de faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft. Een interview.

Van Erp is bekend als partner en creatief directeur van ontwerpbureau Fabrique, dat werkt voor onder meer de Dutch Design Week, Essent, Wageningen UR, Jeugdbescherming, het Van Gogh Museum, het Rijksmuseum en 9292. Fabrique denkt 'out-of-the-box'. Voor Schiphol bedacht het een oplossing voor het controleren van de passagiersstromen: laat de mensen lekker zelf scannen! Van Erp denkt in strategieën en systemen en vooral buiten de ontwerpdiscipline. En dat gaat hij zijn studenten ook leren. De nieuwe industrieel ontwerper denkt namelijk veel verder dan gelikt design.

Hoe bevalt het hoogleraarschap?

Goed, het geeft me veel energie. Ik draai nu mee in het tweedejaars ontwerpvak PO3. In dit vak moeten studenten volgens een bepaalde methodiek een conceptueel product voor in de toekomst ontwerpen. Hierbij moeten ze uitgebreid nadenken over de business kant, de gebruikerservaring en nieuwe contexten. Ik heb meteen mijn handen vol, ik kan ondertussen met iedereen praten, een beetje rondneuzen en allerlei dingen regelen.

Voor welk 'probleem' heeft TU Delft jou aangenomen?

Wat men de afgelopen jaren bij TU Delft een beetje uit het oog is verloren, is om mensen uit de praktijk daar een duidelijke rol te geven. Er zijn veel praktijkmensen die in de ontwerpvakken meedraaien, maar er zijn weinig praktijkmensen die meehelpen bij het uitzetten van de grote lijnen. Dat willen ze veranderen. TU Delft wil de link met de sector herstellen en een constante dialoog met de sector houden. Ik ben een van de praktijkhoogleraren die is aangesteld om daarover mee te denken.

Betekent dat dat studenten meer moeten gaan voldoen aan wat de industrie vraagt? 

Nee, we kijken niet alleen naar wat er nu speelt, we willen vooral ontwerpers opleiden voor de toekomst en daarin een eigenwijze houding aannemen. Studenten moeten antwoord kunnen geven op vragen maar moeten de lat ook hoger kunnen leggen. 

Willen IO-studenten niet liever hands-on aan de slag en mooie dingen maken? 

Studenten van nu hebben over het algemeen juist meer een start-up mentaliteit; ze willen eigen bedrijfjes beginnen. Dat zijn geen 'u vraagt wij draaien'-studenten. Ik wil graag ontwerpers opleiden die leiderschap kunnen tonen; mensen die een goed idee door een heel bedrijf kunnen trekken of een goed idee zó weten te ontwikkelen dat er vraag naar komt.

Wat is het verschil tussen vormgeven in 'jouw tijd', eind jaren negentig, en nu? 

Het klassieke industrieel ontwerpen bestaat zeker nog - daarmee bedoel ik het maken van een product dat industrieel wordt geproduceerd - maar je ziet dat de producten allang niet meer stand-alone zijn. Ze maken deel uit van een keten waar diensten aan gekoppeld zijn en soms is zelfs de dienst leidend. Dat is ook wat de iPhone is overkomen. In eerste instantie was men erg onder de indruk van het fysieke ding maar uiteindelijk gaat het erom wat je met die telefoon met al die apps erin allemaal kunt doen. Die functie is inmiddels veel belangrijker dan het fysieke product. Het is dus belangrijk dat je ontwerpers leert om oplossingen te bedenken voor problemen. Met die benadering gaan de ideeën opeens alle kanten op en dat vind ik erg interessant.

Heb je naast de iPhone nog een voorbeeld van deze nieuwe benadering?

Een mooi voorbeeld is de groeiende vraag naar toeristenaccommodatie voor de stad Amsterdam. Rem Koolhaas heeft de wedstrijd gewonnen voor een nieuw hotel bij de RAI. Dan denk ik 'Rem, je bent onverantwoordelijk bezig, ondanks dat je een groot architect bent'. Ik denk dat het slimmer zou zijn geweest om bijvoorbeeld een deal met Airbnb te sluiten en iets slims te bedenken voor alle leegstaande kantoren in Amsterdam. Dat is een heel ander type oplossing. Er zijn veel ontwerpers die vast zitten in hun discipline en daar maar moeilijk uit kunnen stappen. Ik denk dat er zoveel andere oplossingen te bedenken zijn voor problemen, als je maar op systeemniveau durft te denken en durft te opereren.

Fabrique ontwierp onder meer de 'e-gates' op Schiphol
Fabrique ontwierp onder meer de 'e-gates' op Schiphol

Kun je bij probleemgericht denken nog wel spreken van 'industrieel' ontwerpen? 

Jawel, het gaat om het ontwerpen van concepten. Mijn leerstoel aan TU Delft heet 'concept design' en daarom voel ik me er ook zo thuis. En het gaat ook nog steeds om 'industrieel'. Het industrieel ontwerpen is voortgekomen uit de industriële revolutie. Daar zit een aspect aan van 'industrieel produceren' maar ook van 'de massa willen bereiken'. Alle inzichten aangaande dat laatste kunnen zo mee naar de nieuwe wereld, alleen de manier waarop oplossingen zich manifesteren is veranderd. En ook: je hoeft niet meer alles te weten over spuitgieten en extrusie. Tegenwoordig zet je een ontwerp met redelijk gemak in de computer, je stuurt het naar China en binnen een paar maanden heb je het prototype in huis. Als er één groep geschikt is om na te denken over nieuwe ontwerpen, dan zijn het de alumni van de faculteit IO, omdat er zoveel kennis is over hoe je met producten impact creëert. En de naam, ja, soms moet je het daarmee doen. Kijk naar de HEMA. De betekenis van die letters is al lang niet meer van toepassing. Dat geldt ook wel een beetje voor het 'industrieel' in industrieel ontwerpen. Het is veel breder geworden. 

De nieuwe student gaat dus meer denken dan doen. Is TU Delft daar klaar voor? 

De wereld verandert zó snel, dat kan geen enkele opleiding bijbenen. Zorgen dat alle docenten meegaan in het toekomstbeeld, dat is een uitdaging. 'Doen' blijft uiteraard ook belangrijk. Het is helemaal niet erg als mensen van 'doen' houden, als je maar begrijpt hoe de rest in elkaar zit en hoe het werkt. Wat ik vooral erg leuk vind is om bij studenten te zien waar ze goed in zijn. Doeners en denkers pik je er meestal zo uit. Uiteindelijk is ontwerpen een teamsport en je moet heel goed bedenken in welke rol jouw toegevoegde waarde het grootst is. 

De grote ontwerpers staan ook bekend om hun enorme ego's. Hoe gaat dat in een team? 

Ik vind dat we van dat beeld af moeten stappen. Natuurlijk, het klassieke Dutch Design is groot geworden vanuit een soort van ego-design, maar dat is niet meer houdbaar en al helemaal niet schaalbaar. Die gedachte speelt gelukkig ook niet veel bij de studenten. Dat is al aan het veranderen. Ik vind het juist interessant om studenten nederigheid mee te geven op het moment dat dat gepast is en lef wanneer dat nodig is.

Wetenschappers en vormgevers werken steeds vaker samen. Welke wetenschappers zijn van groot belang voor industrieel vormgevers?

Psychologen. Menselijk gedrag is zeer relevant voor de creatieve industrie; relevanter dan bijvoorbeeld technologie. De techniek biedt zich altijd wel aan, maar de doorslaggevende factor voor succes is in hoeverre het product of de dienst relevant is voor de gebruiker. Facebook is een mooi voorbeeld. Dat staat altijd zo mooi in het rijtje 'tech-companies'. Vind ik vreemd, want het succes van Facebook zit hem niet in de revolutionaire technologie. Het revolutionaire is de gedachte die erachter zit: mensen bij elkaar brengen middels in een community door middel van relevante interactie. Dat heeft meer te maken met psychologie dan met techniek. Mark Zuckerberg heeft indertijd intuïtief gehandeld, maar als je met kennis van zaken handelt en weet hoe je gedrag van mensen kunt veranderen dan kun je hele leuke dingen gaan ontwerpen. 

De Active Cues Tovertafel
De Active Cues Tovertafel

Welke Nederlands project is een mooi voorbeeld van vormgeving en psychologie? 

Er heeft een researchprogramma gedraaid, genaamd CRISP, waarbij diverse psychologen betrokken waren. Een mooi project vanuit CRISP is de tovertafel van het bedrijf Active Cues. Hiermee kunnen demente ouderen actief gehouden worden. De tafel is ontwikkeld in nauwe samenwerking met psychologen en Hester Anderiesen gaat hierop promoveren. Zij heeft in dit project samengewerkt met Erik Scherder, de psycholoog die ook af en toe bij DWDD aan tafel zit. De uitdaging van goed design zit in het raken van de juiste snaar. Als je dat eenmaal weet, dan komt het met die techniek wel in orde.

Zijn er volgens jou genoeg mogelijkheden om de samenwerking tussen design en de wetenschap te stimuleren?

Het begint natuurlijk met het geloof dat je wat hebt aan kennis. Ik vind dat wij, als ontwerpers, sterk vanuit een kennis-basis moeten gaan werken. We moeten kennis omarmen, zeker als we op mondiaal niveau toonaangevend willen blijven. Het grote geluk dat we in Nederland hebben is dat de absolute topspelers in kennisontwikkeling en de creatieve industrie uit Nederland komen. Denk aan José Teunissen (lector fashion design aan ArtEZ, red.) Zij wordt dekaan op London College of Fashion. Het is fantastisch om te zien hoe zij haar studenten uit de comfortzone weet te trekken.

Dat geldt ook voor Paul Hekkert, dat is echt een van de allerbesten uit zijn veld (hoogleraar Vormtheorie en hoofd Industrial Design aan TU Delft, red.). Je ziet dat dat steeds meer bij elkaar komt en dat is goed. Ik vind het fantastisch om op deze faculteit te werken, omdat er heel veel goede wetenschappers zitten. Een van de uitdagingen waar ik zeker mee aan de slag ga is dan ook het leggen van sterkere connecties tussen wetenschap en educatie.

Hoe bereid je je studenten voor op een gedegen carrière? 

Ik wil ze een optimistische houding meegeven en ik wil ze leren leren hoe je initiatief en lef kunt tonen. Daarnaast is het belangrijk dat ze gaan inzien dat het niet erg is om te falen. Het gaat er niet om dat je een plaatje invult, het gaat erom dat je zelf risico's durft te nemen. 

Welk ontwerp vind jij een goed voorbeeld van initiatief, optimisme en lef? 

Ik geniet erg van het project The Ocean Cleanup van Boyan Slat. Hij heeft alle goeie kwaliteiten die nodig zijn om iets in beweging te zetten: hij kwam met een idee voor de aanpak van plasticvervuiling en is het ook gewoon gaan doen. De schaal van zijn project is ongelooflijk. Mensen zoals Boyan zouden veel meer in de schijnwerpers moeten staan. 

Auteur

Miranda Hoogervorst (MirandaWrites10) is specialist op het snijvlak tussen mode, tech en duurzaamheid. Is momenteel geobsedeerd door Girls Can Code en 'shrimp-treated bespoke denim'.