Inhoudsopgave
    

Ambient awareness
Clive Thompson
door Clive Thompson
leestijd: 30 min

Bright Ideas is er wegens de zomervakantie weer over vier weken. Daarom sluiten we dit nummer af met een hoofdstuk uit We worden steeds slimmer: hoe apps, gadgets en social media ons intelligenter maken van Clive Thompson. Een lekkere longread voor in het park, op het strand of in het vliegtuig. Tot 15 augustus!

Alsof het iemand wat kan schelen wat jij vanochtend hebt gegeten. Het is het tot cliché geworden voorbeeld van internetkritiek, de voor de hand liggende reactie op sociale netwerksites als Facebook en Twitter. Inderdaad, 's werelds nieuwste literaire vorm, die van de compacte 'statusupdates', heeft althans op het eerste gezicht iets onaantrekkelijks. Bijvoorbeeld de 140 tekens tellende tweet over een beroemdheid, of de Facebook-verwijzing naar een hijgerig nieuwsbericht dat je net hebt gelezen, of een door een psychedelisch filter gehaalde foto van iemands eigen kat. Dan is er nog de 'like' of 'vind ik leuk' - het omzetten van één enkel sociaal bitje. Wie de gigantische omvang van dit soort uitingen beziet, zou het moeiteloos als nieuw bewijs kunnen opvatten voor de stelling dat internet onze aandacht alleen maar vluchtiger heeft gemaakt en de menselijke intimiteit in een kale woestenij heeft veranderd. Waarom zetten we zo massaal piepkleine uitingen online? En hoe komt het dat we ze zo gretig consumeren?


Ben Haley, een technisch supportmedewerker in Seattle, zat met diezelfde vraag toen hij zich, op aandringen van een vriend, in 2007 aanmeldde bij Twitter. Zoals veel mensen kon hij maar niet begrijpen dat er iemand zat te wachten op dat soort korte berichtjes. Een vriendin van hem twitterde dat ze zich niet lekker voelde. Een vriend stuurde hem links naar zomaar wat verhalen die hij aan het lezen was. Weer een ander - schoolvoorbeeld van een saaie update - beschreef dag na dag wat ze tussen de middag at. Elke tweet was zo kort dat hij vrijwel nietszeggend was. Maar naarmate de maanden verstreken veranderde er iets. Door de updates van zijn vrienden en vriendinnen te volgen begon Haley gevoel te krijgen voor de verschillende ritmes waarin hun levens verliepen. Hij ontwikkelde een mentale kaart van wat ze aan het doen waren, en zelfs van wat ze dachten. Hij kon zien dat zijn vriendin aan de beterende hand was. Door de artikelen waar zijn vriend naar verwees te bekijken (en soms te lezen) kon hij diens wisselende interesses volgen. Zelfs de litanie van dubbele boterhammen, een inkijkje in de cadans van het leven van de vriendin in kwestie, droog humoristisch en zelfs prikkelend in zijn gedetailleerdheid, begon iets boeiends te krijgen.

Zoals Haley het me vertelde begon de stroom updates iets weg te hebben van 'een soort buitenzintuiglijke waarneming', een onzichtbare informatiedimensie die boven het gewone leven zweefde. 'Het is net of ik op afstand ieders gedachten kan lezen,' voegde hij daaraan toe. 'Ik vind het heerlijk. Het voelt alsof ik bij mijn vrienden op iets ongekunstelds stuit. Het is alsof ik ze op een beeldschermpje voor mijn ogen heb.' De berichtenstroom leidde ook tot meer ontmoetingen in levenden lijve. Als iemand in Haleys groep het over een voorgenomen cafébezoek had, zag de rest dat en kwamen sommigen ook nog even langs - een soort ad-hoc-zelforganisatie die in het leven van jonge mensen doodnormaal is geworden. En Haley merkte ook dat, als hij mensen inderdaad in levenden lijve sprak, de conversatie op een subtiele manier anders verliep. Hij en zijn vrienden hoefden geen vragen te stellen als 'Wat heb jij de afgelopen tijd gedaan?', aangezien ze het antwoord al wisten. In plaats daarvan kwam het gesprek direct op iets waar een van hen het die middag in een bericht over had gehad, alsof ze de draad van een onderbroken gesprek weer oppakten.

Sociale wetenschappers hebben een term bedacht voor dit soort buitenzintuiglijke waarneming: 'ambient awareness', perifeer omgevingsbewustzijn. Het is te vergelijken met de manier waarop je je bewust bent van anderen die zich in dezelfde ruimte bevinden als jij, en van wie je, aan de hand van onbewuste signalen die ze afgeven, de stemming en gedachten 'leest'. Bijna onbewust combineer je een groot aantal kleine waarnemingen tot een totaalbeeld van hun inwendige toestand of stemming. Het was cultureel antropologe Mizuko Ito die dit effect tien jaar geleden als eerste opmerkte tijdens onderzoek naar sms-gebruik in Japan. Ito sprak met jonge Japanse stellen die een latrelatie onderhielden. Ze ontdekte dat de partners dag en nacht korte tekstberichten uitwisselden om een gevoel van verbondenheid in stand te houden. Ze stuurden elkaar berichtjes zoals 'Ik ga zo maar eens in bad', 'Nieuwe schoenen gekocht' of 'Deze aflevering vond ik tien keer niks'. Een jonge zakenman omschreef de tekstberichten die hij zijn vriendin stuurde schertsend als 'gemompel', en de antwoorden die hij kreeg als 'terugmompelen'.

Het resultaat was, zoals Ito vaststelde, dat de partners zich verbazingwekkend dicht bij elkaar voelden. Hun gevoel van samenzijn, schrijft Ito, 'leek op het soort wederkerig bewustzijn van mensen die zich fysiek op dezelfde locatie bevinden (...) een manier om iemands virtuele perifere gezichtsveld binnen te dringen'. Of, zoals ze het me uitlegde: 'Het is alsof je samen in de kamer bent en een zucht of een bepaalde blik uitwisselt.' Dit is de paradox van statusupdates. Elke kleine update - elk individueel stukje sociale informatie - is op zichzelf genomen vrij insignificant, zelfs banaal. Maar over een langere tijd samengenomen vormen de fragmenten, als de stippen van een pointillistisch schilderij, een verrassend verfijnd portret van het gevoelsleven van je vrienden. 'Het is de bundeling die het verschil maakt,' zegt Marc Davis, Partner Architect bij Microsoft. 'Je kunt geen bericht aanwijzen dat het allerbelangrijkst is.'

Vóór de komst van moderne technologie lag dit type bewustzijn buiten ons bereik. Geen vriendin zou de moeite hebben genomen je dagelijks telefonisch de door haar gegeten sandwiches te beschrijven, of de artikelen die ze had gelezen, of het aantal kilometers dat ze had gelopen. Sterker nog, had ze dat wel gedaan, dan had jij dat irritant en opdringerig gevonden. Omgevingshulpmiddelen maken het echter mogelijk deze informatie tot een soort wandkleed te weven, een beeld dat je ook vluchtig kunt bekijken, en dat zowel aantrekkelijker als vollediger is. Anders dan de reeks telefoontjes laat het de keuze aan jou, stelt Davis. Het nodigt uit tot aandacht schenken, in plaats van dat het die aandacht opeist. (Het is, stelt Davis, ook vergelijkbaar met het verschil tussen de eindeloze reeksen vakantiedia's van vroeger en de foto's die door vrienden online zijn gezet. Naar de eerste moest je eindeloos verplicht kijken, de laatste kun je waar en wanneer dan ook bekijken.)

Op dit moment kun jij, als je je even concentreert, waarschijnlijk een voorstelling maken van de recente activiteiten - zelfs de gedachten - van de mensen die jij volgt. Ik spreek mijn studievriend Bret slechts één keer per jaar in levenden lijve, als ik met Kerstmis in Toronto ben. Toch weet ik waar hij zich tegenwoordig mee onledig houdt: sinds hij The Intuitionist heeft gelezen, een boek over liften en liftinspecteurs, is het op YouTube opsporen van oude filmbeelden over liften voor hem een obsessie geworden; hij doet regelmatig merkwaardige kookexperimenten, waaronder het zelf maken van een soort luxe smeltkaas; hij kwam onlangs affiches tegen van de universiteitsband waarin hij als student zat en maakt sindsdien weer muziek; het aanschouwen van de landing van de Marsverkenner Curiosity heeft zijn waardering als Canadees voor collectief overheidsoptreden een nieuwe impuls gegeven. Ik volg ook collega's die hun werk 'thoughtcasten', zoals de sociologe Tricia Wang, die foto's van haar zeventien maanden durende rondreis door verarmde Chinese provincies op Instagram zette (treinen vol seizoenarbeiders, hongerige schoolkinderen die hun eerste gratis schoollunch voorgezet krijgen). En net als veel anderen volg ik mensen die ik niet persoonlijk ken, zoals grote conservators, prikkelende denkers, of gewoon beroemde lieden die intrigerende dingen schrijven.

Uiteraard is het mijn persoonlijke interesse in mijn vrienden (en de genoemde onbekenden) die maakt dat ik hun bijdragen interessant vind. Als jij de mensen die ik volg bekeek, zou je slechts onsamenhangende informatie zien. Jij zou het totaalplaatje niet hebben dat elke kleine uiting interessant maakt. Het omgekeerde is ook waar: als ik jouw mensen bekijk, zie ik alleen maar ruis. Dit verklaart ook precies waarom critici van sociale media er zo gemakkelijk een willekeurige individuele statusupdate kunnen uitpikken en als betekenisloze onzin afdoen. Zonder context kan het er inderdaad zo uitzien. Maar ambient awareness heeft alles te maken met het langzaam opbouwen vaneen omvangrijke, gedetailleerde context. Als je de signalen die iemand via sms en social media uitstuurt een dag lang volgt, lijken het onbenulligheden. Na een week heeft het wel iets weg van een kort verhaal en na een half jaar lijkt het een roman.

Maar het gaat hier om meer dan passieve interesse in waar anderen mee bezig zijn. Ambient awareness geeft ons ook de beschikking over nieuwe, soms opzienbarende vaardigheden. Als groepen mensen op deze lichtgewichtmanier 'hardop denken', kunnen ze verbazingwekkende staaltjes collectief denken ten beste geven. Wetenschappers weten dit al jaren, aangezien zij het fenomeen offline, in de fysieke wereld, hebben aanschouwd. Zo besloten de Britse sociaal wetenschappers Christian Heath en Paul Luff begin jaren 90 van de vorige eeuw de samenwerking tussen medewerkers in de verkeersleidersruimtes van de complexe Londense ondergrondse te gaan bestuderen. Als er een trein vertraging heeft, of er geen machinisten beschikbaar zijn, moeten de verkeersleiders het systeem snel 'omzetten' en beslissen welke treinen uit dienst worden genomen, welke een ander tijdvak toegewezen krijgen en welke machinisten welke treinen gaan besturen. Dit omzetten is een uitdaging, aangezien verschillende medewerkers het eens moeten zijn en zich bewust moeten zijn van elkaars handelingen, maar niet altijd genoeg tijd hebben om te overleggen over wie precies wat doet.

Om dit probleem op te lossen ontwikkelden de verkeersleiders een slimme techniek: ze spraken hardop. Telkens als ze het systeem wijzigden zeiden ze duidelijk wat ze aan het doen waren. Ze richtten zich daarbij niet tot iemand in het bijzonder. Ze waren in alle richtingen aan het uitzenden en slingerden hun woorden voor iedereen hoorbaar de ruimte in. Dit soort 'zelfspraak', merkten Heath en Luff, stelde de groep in staat om zeer snel tot een gedeeld bewustzijn te komen van de lopende gebeurtenissen. De groep kon zelfs het denkproces dat gaande was volgen. Door hardop te praten 'maakt de verkeersleider de gevolgde redeneer- wijze bij het aanbrengen van bepaalde veranderingen zichtbaar voor zijn collega's', schreven Heath en Luff. Met dit niveau van groepsbewustzijn konden de medewerkers slimme staaltjes collectieve probleemoplossing produceren. Je zou kunnen zeggen dat ze elkaar een soort statusupdates avant la lettre gaven. En metroverkeersleiders zijn ook niet de enigen die deze techniek gebruiken: Luff en andere onderzoekers hebben voorbeelden van dit hardop- door-de-ruimte-praten beschreven in teams van chirurgen, redactielokalen, regelkamers van de bagageafhandeling op luchthavens en teams binnen financiële instellingen.

Tegenwoordig is dit soort groepsbewustzijn online aan de orde van de dag. Ik zie het als een bijzondere vorm van propriocepsis (het vermogen van ons lichaam om onze eigen lichaamsdelen waar te nemen). Dit onbewuste oriëntatiegevoel is cruciaal voor onze coördinatie: het voorkomt dat we per ongeluk tegen dingen op botsen en maakt buitengewone staaltjes evenwichtskunst en behendigheid mogelijk. Als jij met gesloten ogen feilloos je wijsvinger naar het puntje van je neus brengt, heb je dat te danken aan je propriocepsis. Als groepen mensen - vrienden, familieleden, collega's - in lichtgewicht online-contact blijven, ontstaat er sociale propriocepsis: het zelfgevoel van de groep.

Het tegenwoordige sociale leven zit, op een manier die zowel banaal als opmerkelijk is, vol met precies dit soort zelforganisatie. Toen mijn vrouw voor haar werk naar Los Angeles ging was ze eigenlijk niet van plan om daar buiten het werk om mensen te ontmoeten. Maar toen ze in een statusupdate op Facebook schreef dat ze op haar hotelkamer een film met Demi Moore had zitten kijken, begonnen oude vrienden van wie ze niet meer wist dat ze in LA woonden haar te pingen. (Uiteindelijk werd ze uitgenodigd voor etentjes en voor een concert.) Tijdens professionele conferenties gebruiken deelnemers het hele scala van tweets tot foto's en check-ins om een gemeenschappelijk gevoel te ontwikkelen voor wat daar gaande is, welke interessante presentaties je mogelijk hebt gemist, wat weer gespreksstof is voor als ze elkaar bij het eten in levenden lijve treffen.

Naast deze simpele, alledaagse voorbeelden zijn er ook legio serieuze voorbeelden voorhanden. Voor politiek activisten is 'ambient contact', perifeer omgevingscontact, een buitengewoon krachtig instrument gebleken in crisissituaties. In november 2011 werd de Egyptisch-Amerikaanse journaliste Mona Eltahawy tijdens een protestactie door Egyptische veiligheidstroepen gearresteerd, waarna ze als enige bericht de volgende tweet verstuurde: 'geslagen gearresteerd op ministerie van BiZa.' Vrienden en volgers overal ter wereld, die gewoon waren Eltahawy's berichten online te volgen, wisten direct hoe de vork in de steel zat en begonnen erover te praten. Een van hen was Zeynep Tufekci, een universitair docent technologie en samenleving aan de University of North Carolina at Chapel Hill. Zij nam contact op met haar vriend Andy Carvin van NPR, de Amerikaanse landelijke publieke omroep, die regelmatig twittert over het Midden-Oosten. Getweeën zetten ze de hashtag #FreeMona op om de discussie over de beste manier om Eltahawy te helpen te kunnen coördineren. Twintig minuten later waren al zoveel supporters hierover in discussie dat #FreeMona wereldwijd een trending topic werd. Honderden anderen kwamen eveneens in actie: Sarah Badr, een ontwerpster, belde de Amerikaanse ambassade en zette het gesprek waarin ze hen op de hoogte bracht op Twitter; Anne-Marie Slaughter, voormalig directeur beleid bij het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, nam contact op met haar vroegere werkgever, terwijl Egyptenaren telefonisch de Egyptische media en al-Jazeera begonnen te bestoken om hen over te halen Eltahawy's zaak in het nieuws te brengen. Het valt niet mee om het Egyptische leger onder druk te zetten, maar de gecoördineerde piek aan activiteit had effect. De volgende dag lieten de militairen Eltahawy, die tijdens haar hechtenis haar rechterarm en rechterhand had gebroken, vrij.

Ambient awareness op wereldschaal is vreemd en nieuw. Dat het nu al zo goed werkt komt doordat het een beroep doet op al langer bestaande sociale vaardigheden, waaronder ons vermogen om andere mensen te 'lezen'. Inderdaad wordt, als je maar voldoende regelmatig digitaal contact hebt, zelfs stilte een leesbaar signaal, ongeveer zoals je iemands stemmingsverandering voelt als hij of zij er ineens het zwijgen toe doet. Zo werd Lisa Hickey, een journaliste die ik ken, op een dag onbewust bekropen door het gevoel dat 'er iets was' met een oude vriendin. 'Toen ik haar uiteindelijk te pakken kreeg, bleek dat ze met spoed was opgenomen met een levensbedreigende acute aandoening,' zegt Hickey. Achteraf realiseerde Hickey zich waar haar intuïtie op dat moment vandaan was gekomen: haar vriendin, normaal gesproken nogal een kletskous op Facebook, had al enkele dagen niets gepost, en ook geen verklaring gegeven waarom ze een tijdje uit de lucht was. Het was de plotselinge radiostilte die Hickey had gealarmeerd. 'En ik besefte meteen dat dit de onzichtbare buitenzintuiglijke waarneming was.'

Inderdaad lijken onze online- en offline-bedrevenheid in het lezen van mensen behoorlijk nauw verband met elkaar te houden. Persoonlijkheidspsycholoog Sam Gosling heeft met slimme experimenten laten zien hoe onze werkelijke, fysieke bezittingen iets zeggen over onze persoonlijkheid. In een van zijn experimenten gaven proefpersonen Gosling toestemming om in hun afwezigheid samen met onbekenden hun huis te betreden. Na niet meer dan een paar minuten hun slaapkamer te hebben bekeken, konden de onbekenden een akelig nauwkeurige beschrijving geven van de persoonlijkheid van de bewoners. Gosling vroeg zich af of Facebook-pagina's net zoveel zouden onthullen en deed het experiment online nog eens dunnetjes over, waarbij onbekenden de Facebook-pagina's van deelnemers aan het experiment bekeken. Ook nu bleken ze in staat een accurate beschrijving te geven van de persoonlijkheid van de betrokkenen. De perifere omgevingssignalen die we met statusupdates en reeksen foto's afgeven kunnen net zo krachtig zijn als die van fysieke objecten.

Sterker nog, ze zijn soms nog onthullender. Een van de grappige dingen aan perifeer-omgevingsbewust leven is ontdekken dat mensen nog maffer zijn dan jij had gedacht, zelfs degenen die je goed meende te kennen. Jack Dorsey, de bedenker van Twitter, vertelde me eens dat toen zijn ouders begonnen te twitteren, ze kanten van zichzelf blootgaven die hij nooit vermoed had. 'Ze houden wel van een feestje. Ze zijn gek op uitgaan en borrelen!' zei hij. 'En ze vloeken erop los. En ik leerde bepaalde eetgewoontes kennen, en gewoon massa's dingen waar ik geen idee van had. Tekst is heel bevrijdend, zeker korte stukjes tekst. Het doet je loskomenvan jezelf en laat je op een andere manier over dingen nadenken. Mijn ma schrijft dus gewoon (...) heel anders dan ik haar ooit heb horen praten.'

Perifeer, ambient, omgevingscontact verandert niet alleen het leven online, maar ook de manier waarop we fysiek met elkaar omgaan. De verandering is zichtbaar in het werkpatroon van jongere werknemers in de Verenigde Staten. Sinds hun entree op de werkvloer hebben ze een manier van omgaan met hun werk en hun collega's ontwikkeld, eentje die op een intrigerende manier verschilt van die van hun ouders generatie, de babyboomers. 'Babyboomers groeiden op in een tijd waarin je wel naar kantoor móést, aangezien jouw telefoon aan een snoer vastzat en je er fysiek heen moest om die te kunnen gebruiken,' beschrijft Michael O'Neill de oude situatie. Voor zijn werkgever, het kantoorinrichtingbedrijf Knoll, heeft hij twintigduizend kantoorwerkers van alle leeftijden ondervraagd. Hij ontdekte dat babyboomers de eigen aanwezigheid op kantoor onmisbaar achten voor hun werk. Dit is niet zo gek, aangezien het kantoor in het verleden de enige plek was waar collega's in korte tijd groepsbewustzijn konden opbouwen en gezamenlijk beslissingen konden nemen. Ze raakten gewend aan formele vergaderingen rond een tafel als de aangewezen manier om dat te doen. 'Voor de babyboomer is de eenheid van werk de formele vergadering. "Kom maar door met die koffie, dan komen we de komende drie uur hier wel door", zoiets,' zegt O'Neill. Maar jongere werknemers weken daar volstrekt van af. Zij vonden traditionele vergaderingen een tikje confronterend en hadden veel liever korte, informele besprekingen. Waarom? Omdat ze meer gewend waren aan perifeer onderling contact en het online uitwisselen van informatie, en taken die babyboomers altijd in elkaars fysieke bijzijn hadden uitgevoerd virtueel afhandelden. Daarnaast hadden de jongere werknemers het idee - waar de meeste oudere werknemers zich eerlijk gezegd in zouden herkennen - dat vergaderingen door de bank genomen tijd- verspilling zijn. Als ze collega's of klanten ontmoeten, doen ze dat liever in een koffiebar, in groepjes die klein genoeg zijn - maximaal twee of drie personen - om een serieus, diepgaand gesprek te kunnen voeren, vermengd met sociale interactie zoals die in een klassiek alle-hens-aan-dek-conclaaf van pak 'm beet vijftien mensen ondenkbaar is. Veel jonge ondernemers die ik tegenwoordig spreek schuiven het betrekken van een vast bedrijfskantoor verrassend lang voor zich uit, omdat ze dat zien als verspilling van middelen - en zelfs van productiviteit. In plaats daarvan werken al hun mede- werkers vanuit huis, in koffiehuizen of in over de stad (of de wereld) verspreide gedeelde kantoorruimtes, waarbij ze via hulpmiddelen als chat en Skype voortdurend lichtgewichtcontact onderhouden. 'Ik denk dat Starbucks, als huisbaas beschouwd, op dit moment de grootste speler op de kantorenmarkt is,' zei Scott Annan me ooit met een stalen gezicht. Annan, een Canadese ondernemer, runde zijn softwarebedrijf Mercury Grover, dat twaalf werknemers telde, vijf jaar lang zonder vast kantoor.

Op soortgelijke wijze is permanent perifeer omgevingscontact ook de telefonie, de vertrouwde technologie voor het onderhouden van contacten, de doodsteek aan het toebrengen. Volgens in 2010 door marktonderzoeksbureau Nielsen gepubliceerde gegevens bereikte het aantal mobiele telefoongesprekken per persoon in 2007 zijn hoogtepunt, om vervolgens een gestage daling in te zetten. Daarnaast loopt ook de gespreksduur terug: duurde in 2005 het gemiddelde gesprek nog drie minuten, in 2010 was dat nog maar half zo lang. Gedurende het overgrote deel van de twintigste eeuw was bellen, zoals bekend, de enige manier om snel te weten te komen waar verre vrienden, familieleden en collega's zich mee bezighielden. Maar onze afhankelijkheid van het medium verdoezelde dat bellen in feite een heel vervelende manier was om elkaar wederzijds op de hoogte te houden. Het was inherent storend: in de meeste gevallen wist je, als je iemand belde, niet of die vrijuit kon praten en wist de gebelde op zijn beurt niet waarvoor je belde, zodat je elke keer Schrödingers doos moest openmaken en een gesprek moest beginnen om te kijken of een gesprek er eigenlijk wel in zat. Zodra ambient awareness mogelijk werd, begonnen de 'Ben je bezig of kan het even?'-gesprekken te verdwijnen. De telefoongesprekken die overblijven zijn geplande gesprekken (vaak ingeluid met de tekst 'komt het nu wel uit?'), die in rijkere, langere conversaties kunnen uitmonden.

Correct toegepast kan sociale propriocepsis ons werkende leven minder versnipperd maken door de voortdurende stroom interrupties terug te dringen. Een groep die op een perifeer-bewuste manier verbonden is, is - verrassenderwijs - minder tijd kwijt aan communicatie, en dan vooral aan het schrijven en lezen van een eindeloze stroom e-mails. E-mail is inderdaad tot een van de vloeken van het werknemersbestaan uitgegroeid. Kantoorpersoneel besteedt naar schatting 28 procent van de werkweek aan het opstellen en lezen van berichten, een belasting die jaarlijks met 7 procent toeneemt. Ruim vijf jaar geleden, in 2008, had Luis Suarez het helemaal gehad met e-mail. Suarez, een op de Canarische Eilanden werkzame IBM-veteraan, vertelt hoe hij ontdekte dat hij meer dan twee uur per dag kwijt was aan e-mail. Toen hij zijn Postvak IN analyseerde, stelde hij een aantal trends vast. Een groot deel van de e-mails die hij ontving betrof korte vragen van collega's die naar hem informeerden - vragen als 'Waar zit je op dit moment?' of 'Hoe gaat het met het project?' Een ander deel betrof vragen van collega's die gemakkelijk door iemand anders konden worden beantwoord. Was er een manier om mensen ervan te weerhouden hem nog langer dit soort berichten te sturen?

Suarez meende van wel en besloot als eerste stap zijn werkende leven in een open boek te veranderen. Hij begon voortdurend berichten uit te zenden over waar hij mee bezig was, met meerdere keren per uur posts naar verschillende sites, waaronder Twitter en IBM's interne sociale netwerk. Hij vertelde waar hij mee bezig was, waar hij zich bevond en wie er in zijn gezelschap waren. Al snel werd het aantal e-mails van collega's met vragen over zijn bezigheden en verblijflocatie minder, omdat ze het antwoord al in huis hadden; een blik werpen op zijn berichten was sneller en leverde een completer beeld op dan een eigen vraag. Als tweede maatregel vroeg Suarez zijn collega's om vragen die ze voor hem hadden niet aan hem te mailen, maar ze voor iedereen zichtbaar op IBM's interne sociale netwerk te zetten. Dit had enkele interessante gevolgen. Veel vragen die werden gepost werden sneller - en accurater - door iemand anders beantwoord dan Suarez dat had gekund. En als Suarez zich er wel mee bemoeide, bleef het antwoord permanent voor iedereen zichtbaar, als onderdeel van een groeiende kennisbank, een voor iedere IBM-medewerker toegankelijk extern bestand met van Suarez afkomstige kennis en expertise.

De grotere en bredere zichtbaarheid van Suarez binnen het bedrijf zorgde voor een gestage afname van de stroom e-mails die hij binnenkreeg. Binnen enkele maanden was de stroom gehalveerd, en binnen een jaar was hij met een ongelooflijke 85 procent gekrompen. Tegenwoordig krijgt hij amper twee e-mails per dag, in de meeste gevallen vertrouwelijke mededelingen of vragen. 'Hoe meer je jezelf openstelt,' vertelde hij me, 'des te verder je de neiging van mensen om jou een bericht te sturen terugdringt.' Er is onderzoek dat zijn bewering onderschrijft: uit een enquête onder 912 kantoormedewerkers bleek dat degenen die zichzelf via instant messaging beschikbaar hielden voor communicatie naar eigen zeggen minder vaak gestoord werden dan degenen die sterker op andere vormen van communicatie vertrouwden. Je zou denken dat instant messaging dingen erger zou maken, met collega's die je de hele tijd pingen. Maar het had het tegenovergestelde effect: het werd makkelijker om te zien of iemand beschikbaar was ('Heb je een momentje?') en makkelijker om, als je het druk had, de betrokkene te vragen om het later nog eens te proberen. De afstemming hierover leek meer op het soort terloopse vragen dat mensen die aan dezelfde tafel zitten te werken elkaar stellen.

In eerste instantie leek Suarez een maf buitenbeentje: 'Mensen dachten dat ik krankjorum was geworden.' Hij lacht. Inmiddels doen bedrijven hun best zijn voorbeeld te volgen. De Franse technische dienstverleningsreus Atos, met 74.000 medewerkers, wil in 2014 e-mail-vrij worden, terwijl Volkswagen voor bepaalde werknemers die bij een vakbond zijn aangesloten 's avonds en 's nachts de e-mail naar hun bedrijfs-BlackBerry's uitzet om ze in hun vrije tijd niet met werkgerelateerde e-mails te storen. Het hoeft ook geen kwestie van of-of te zijn. Zelfs het van je e-mail naar sociale netwerken verplaatsen van een klein deel van je denken kan al grote effecten hebben. Een onderzoek door het McKinsey Global Institute schatte dat werknemers van bedrijven, als ze intensiever gebruik zouden maken van op perifeer bewustzijn gerichte media, hun e-mails met een kwart zouden kunnen terugdringen, en de aan het zoeken naar informatie bestede tijd met 35 procent.

De opkomst van bondige sociale media is niet door iedereen met gejuich ontvangen. Sterker nog, maatschappijcritici zijn genadeloos geweest in hun minachting. De wereld van de statusupdates, luidt hun betoog, is één grote narcistische parade - leeghoofdig, naar binnen gekeerd en idioot. Met name Twitter en Facebook hebben aanleiding gegeven tot deze oordelen. 'Wie wil er nou echt van uur tot uur weten wat ik aan het doen ben?' vroeg Alex Beam, columnist van de Boston Globe, zich in de begintijd in een stuk over Twitter af. 'Zelfs mijzelf interesseert dat niet...' Doorgaans luidt de klacht dat perifere omgevingssignalen veel te beknopt zijn om enige serieuze betekenis of gedachtewisseling te kunnen bevatten - ze zouden een jonge generatie leren dat ze alleen in hapklare, niet-lineaire, ongrammaticale brokjes sms-taal moeten denken. Erger nog, ze geven vorm aan onze onverzadigbare behoefte aan zelfachting, door iedereen tot de ster in zijn eigen reality-tv-programma te maken. En ze schakelen de hedendaagse cultuur van de tot merk gemaakte mens op naar een ongezond hoge versnelling, waarbij iedereen wordt aangemoedigd om zijn of haar leven als een onderneming te zien, en enorme aantallen volgers en 'vrienden' te verzamelen - vrienden die, uiteraard, niets te maken hebben met echte vriendschap - dit alles ten dienste van een roeptoeter waar de stompzinnige massa zijn onbenullige dat-wil-je-niet-weten- weetjes in kwijt kan.

Twitter kan, zoals de redacteuren van het literaire tijdschrift n+1 mismoedig schreven, de deur naar het 'narcistisch sublieme' openen. 'Welke tweet gaat daar, onwaarneembaar, schuil achter de andere?' gingen ze verder. 'In precies 140 tekens: "Ik wil zelf zo wanhopig graag worden opgemerkt dat ik jou geen aandacht kan geven, tenzij ik daarmee de aandacht op mezelf vestig. Ik weet dat het jou net zo vergaat." Op deze manier devalueren grote aantallen mensen - 40 procent meer gebruikers in vergelijking met vorig jaar - elkaar door wederzijdse staaltjes eigendunk.' Bill Keller van The New York Times hekelde Twitter als 'de vijand van de beschouwing'. En breek deze mannen - want dat zijn het vaak - al helemaal de bek niet open over sites als Pinterest, waar vrouwen (en het zijn inderdaad vaak vrouwen) diorama's publiceren van taferelen en afbeeldingen die ze esthetisch geweldig vinden. 'Absolute bagger,' verklaarde een van mijn collega-hightechjournalisten misprijzend.

Het is zonder twijfel waar dat massa's mensen de neiging hebben online nogal met zichzelf bezig te zijn, en dat deze hulpmiddelen dat verergeren. De hulpmiddelen zijn per slot van rekening specifiek ontwikkeld om openheid over jezelf aan te moedigen. Maatschappijcritici, onder wie Christopher Lasch in zijn beroemde boek De cultuur van het narcisme, betogen al tientallen jaren dat zelfwaardering in opkomst is. Lasch gaf de schuld voor een flink deel aan de erosie van structuren die, zoals hij het zag, mensen historisch gezien aanmoedigden om de focus buiten zichzelf te leggen, zoals religie, familie, zinvol werk en klasse. Beroofd van de traditionele rolverdeling, betoogt Lasch, werd de Amerikaanse identiteit in de twintigste eeuw breekbaar, en moest ze voortdurend bevestigd worden door aandacht van anderen. De afgelopen jaren hebben psychologen als Jean Twenge betoogd dat er empirisch bewijs is voor een narcisme-epidemie, al zijn de onderzoeksgegevens niet per se eenduidig (ander bewijsmateriaal suggereert dat de persoonlijkheid van jonge mensen in de loop van decennia niet veel is veranderd). Toch valt, zelfs als je het met deze boude beweringen niet helemaal eens bent, moeilijk te betwisten dat veel van wat zich in het met statusupdates gevulde universum afspeelt nogal banaal is. Zoals Clay Shirky heeft opgemerkt, is dit een onontkoombaar bijverschijnsel als iedereen zijn eigen uitgever wordt. Je kunt niet zoveel expressie losmaken zonder een abrupte daling in de kwaliteit van de gemiddelde uiting te veroorzaken. Maar ik vermoed dat wat zich werkelijk afspeelt niet echt een kwestie van oorzaak en gevolg is. Ik betwijfel of het universum waarin iedereen naar iedereen uitzendt, mensen onbenullig maakt. Door onze conversatie voor iedereen zichtbaar te maken, wordt zichtbaar hoe triviaal we al die tijd al waren.

We zouden onszelf kunnen vleien door te doen alsof onze conversatie vóór de komst van Facebook en sms en 'thoughtcasting'verheffend en erudiet was, en op hogere cultuur en het burgerlijk leven gericht, en zelfgenoegzaamheid en roddel angstvallig vermeed. Onderzoek doet echter vermoeden dat dit een mythe is. Toen de Britse antropoloog Robin Dunbar alledaagse echte gesprekken tussen mensen onder de loep nam, ontdekte hij dat mensen maar liefst 65 procent van de tijd over zichzelf en andere mensen praten: wat je in beleefde termen 'sociale ervaringen' zou kunnen noemen, en in minder bedekte termen 'roddel'. (Het enige grote verschil, althans onder jongere mensen, was dat mannen veel sterker op zichzelf gefocust waren. Ging het gesprek over sociale ervaringen, dan spraken vrouwen tweederde van de tijd over de sociale ervaringen van andere mensen, terwijl mannen die tijd besteedden aan praten over hun eigen ervaringen.) Let wel: Dunbar beschouwt onze diepe interesse in de wederwaardigheden van anderen niet als iets slechts. Zijn hypothese is dat taal, een van onze kenmerkende intellectuele gaven, juist is ontstaan om ons in staat te stellen elkaar sociaal te 'vlooien', op de manier waarop primaten elkaar fysiek vlooien. Het is de lijm die de samenleving bijeenhoudt. Als critici zich kwaad maken over het triviale karakter van online-groepen, hebben ze waarschijnlijk nooit goed naar hun eigen alledaagse gesprekken geluisterd. Of iets minder scherp: voordat internet verscheen, leefden ze in een luchtbel waarin ze de hoop nog overeind konden houden dat de dagelijkse gesprekken van het gepeupel verheffend waren, aangezien ze die met geen mogelijkheid konden beluisteren. Nu kunnen ze dat wel. Digitale hulpmiddelen maken zichtbaar wat voorheen onzichtbaar was, en zoiets veroorzaakt altijd onrust. 

In feite is het patroon dat de geschiedenis hier laat zien stabiel: elk nieuw communicatiemiddel riep angst op dat de maatschappij zou afglijden in zinloos geklets. Zoals Tom Standage opmerkt, zagen we dit ook tijdens de opkomst van de zeventiende-eeuwse koffiehuiscultuur. Intellectuelen van nu doen vaak nostalgisch over de eerste Europese koffiehuizen, waar studenten en schrijvers en zakenlieden bijeenkwamen om kranten te lezen en gewichtige kwesties te bespreken. Maar in die tijd waren de autoriteiten ze liever kwijt dan rijk. De gezaghebbers waren bezorgd dat cafébezoek het concentratievermogen van jonge studenten zou aantasten; de cafépraat hield hen af van hun studie. 'De studenten zijn zo begerig naar nieuws (dat hen niets aangaat) dat ze er alles voor laten staan, en het is inmiddels grote uitzondering als een van hen na de gebeden direct naar zijn kamer gaat zonder eerst zijn plicht in het koffiehuis te hebben verricht, wat een enorm tijdverlies door pure nieuwlichterij betekent,' betoogde een commentator in Cambridge. 'Want wie kan zich, met het rumoer van het koffiehuis nog in zijn hoofd, echt op een onderwerp concentreren?' In het in 1673 gepubliceerde pamflet The Character of a Coffee-House maakt de auteur de sociale koffiedrinkplaats met de grond gelijk als zijnde 'een beurs waar handelaren in politiek garen en band elkaar ontmoeten en elkaar, en het publiek, wederzijds beledigen met bodemloze verhalen en hersenloze ideeën; de verzamelplaats van loze pamfletten, en van personen die hun tijd verdoen door ze te lezen (...) De ruimte stinkt nog erger naar tabak dan de hel naar zwavel, en is net zo doorgerookt als de tronies die je er steevast ziet.'

Iets meer dan een eeuw later sloeg een soortgelijke paniek toe toen het volgende Nieuwe Ding zich aandiende: de populaire roman voor het grote publiek. De opkomst van driestuiverromans - met name romantische werkjes en naargeestige horrorromans - kon toch zeker niet heilzaam zijn voor de geest? Inderdaad niet, nee, volgens het in 1835 gepubliceerde vlugschrift Devouring Books ('Boeken verslinden'), waarin de auteurs zich zorgen maakten over de stroom 'romans en lichtvoetige periodieken' van de 'uiterst vruchtbare pers'. 'Onophoudelijk lezen,' verkondigden de auteurs, 'leidt, doordat het onevenwichtige ontwikkeling begunstigt, onontkoombaar tot uitsluiting van eigen gedachten, en in de jeugdige geest tot belemmering van de ontluikende mentale vaardigheden. Het heeft de neiging om ofwel sociaal genoegen uit te sluiten, of de conversatie frivool en onbeduidend te maken; want nuttige bezinning is, als de geest zich in galop bevindt, vrijwel uitgesloten; en als er gedurende de uren van lezen geen nuttige beschouwing plaatsvindt, kunnen de overwegingen vanzelfsprekend ook niet in de sociale kring worden doorgegeven.' Vrouwen liepen, delicaat als ze waren, uiteraard het meest gevaar. Zoals Jonathan Swift het formuleerde (mogelijk parodiërend, wat je bij Swift nooit zeker weet) was al dat lezen 'geneigd het brein van een vrouw te veranderen', zou het haar 'ijdel, zelfingenomen en pretentieus' maken en ertoe leiden dat ze 'haar echtgenoot minacht en dol raakt op de eerste de beste ijdeltuit die voorgeeft enige wijsheid uit boeken te hebben opgedaan'. Met elke golf van paniek wendden de critici zich tot de laatste wetenschappelijke bevindingen om de achteruitgang van onze hersenen te verklaren. Tegenwoordig wijzen maatschappijcritici naar hersenscans als objectief bewijs dat de structuur van onze hersenen onder invloed van mediagebruik verandert; in de negentiende eeuw verwezen ze naar het zenuwstelsel. De Amerikaanse neuroloog George Miller Beard stelde vast dat de Amerikaanse witteboordenwerker aan neurasthenie leed. De aandoening was, beweerde hij, een uitputting van het zenuwstelsel door blootstelling aan de onnatuurlijke krachten van de moderne beschaving, met name 'stoomkracht', 'de telegraaf ', 'de kranten- en tijdschriftenpers' en 'de wetenschappen'. (Beard noemde ook een gevaar dat specifiek het zenuwgestel van het zwakke geslacht bedreigde: een toename van 'de mentale activiteit van vrouwen'.)

Al snel ontstond er in reactie op de telefoon een soortgelijke paniek. Deze zou, voorspelden critici, de samenleving uiteen doen vallen en een troosteloos landschap achterlaten met bleke, zonmijdende mensachtigen die niet langer tot rechtstreeks sociaal contact in staat waren. Wie zou er, als je iemand ook kon bellen, nog de moeite nemen het huis uit te gaan? Nog erger was dat het de menselijke interactie zou degraderen tot een onsamenhangende uitwisseling van trivialiteiten, zoals Mark Twain suggereerde in zijn in 1880 verschenen satirische sketch 'A Telephonic Conversation'. Ondertussen maakten kenners van de etiquette zich in de VS openlijk zorgen dat de telefoon tot grovere manieren zou leiden, aangezien de meest gebruikte begroeting - 'hello' - was afgeleid van 'halloo' een kreet waarmee jachthonden werden aangemoedigd. (Amerikanen voerden tot in de jaren 40 strijd over de gepastheid van 'hello'.) Tegenwoordig heeft het dagelijks gebruik ervan de technologie zodanig gedomesticeerd dat nostalgisch ingestelde mensen de telefoon inmiddels beschouwen als een emotioneel levendige vorm van communicatie die door internet op tragische wijze om zeep wordt geholpen.

Dit wil niet zeggen dat technologie nooit tot negatieve veranderingen leidt, of dat er niet een kern van waarheid zat in de geleverde kritiek. 'Technologie is goed noch slecht, en ook niet neutraal,' formuleerde technologiedenker Melvin Kranzberg het. Het is de reden waarom we elk hulpmiddel zorgvuldig op zijn eigen merites moeten beoordelen. Dat wat we in eerste instantie slechts irritant vinden aan een nieuwe technologie is vaak niet relevant, waarmee we de kans lopen de subtielere manieren waarop zij op de langere termijn denkpatronen verandert over het hoofd te zien. Persoonlijk denk ik dat een groter gevaar van modern perifeer-bewust contact is dat het het recency-effect versterkt: het gevoel dat informatie die we op dit moment binnen krijgen belangrijker is dan gebeurtenissen die zich gisteren, vorige maand of in de vorige eeuw hebben afgespeeld. Als cultuur hebben we lang moeite gehad om voldoende aandacht te schenken aan het verleden. Tegenwoordig is het waarschijnlijk lastiger dan ooit tevoren.

Dus nee, ik denk niet dat nieuwe media tot een gruwelsamenleving zullen leiden. Maar een sociale heilstaat zullen ze ons al evenmin brengen. Het is een regelmatige pendelbeweging: tegenover elke technologische onheilsprofeet in de geschiedenis stond een jubelende profeet die beloofde dat nieuwe communicatievormen al onze problemen uit de wereld zouden helpen. Oorlog en conflict, met name: in de negentiende eeuw dacht men dat de telegraaf ons mondiaal gezien zo dicht bij elkaar zou brengen dat het doden van een buitenlander net zo barbaars zou lijken als het doden van je buurman. 'Dit is de levende streng die naties samenbindt,' dweepten de auteurs van het in 1858 uitgegeven boek The Story of the Telegraph. Decennia later zou het vliegtuig de mensheid helpen boven zichzelf uit te stijgen. De 'lucht'-mens, schreef de feministische denker Charlotte Perkins Gilman in 1907, 'ziet zichzelf niet langer als een worm in het stof, maar als een vlinder, psyche, de verrezen ziel'. Daarna was het de televisie die een eind zou maken aan oorlogen; daarna waren het internet en de mobiele telefoon.

De comédienne en schrijfster Heather Gold, een van de bedenkers van het concept 'tummling', vertelde me ooit dat sociale media voor velen zo verontrustend zijn omdat ze onze cultuur feminiener maken. Al dit ge-'vind-ik-leuk', dit antwoorden, deze kleine daden van sociaal vlooien in gesprekken - 'fatische' aspecten, zoals taalkundigen het zouden noemen, die een groot deel van onze perifere communicatiesignalen uitmaken - zijn precies het soort uitingen waar vrouwen traditioneel geacht worden in uit te blinken. 'Wat je ziet is dat al die alfamannetjes uit het bedrijfsleven zich online als dertienjarige meisjes gedragen, elkaar voor iedereen zichtbaar emoticons sturen en "Hé, man, van harte met je verjaardag!" schrijven!' vertelde ze me. Uiteraard zijn dit generalisaties; veel mannen beschikken over superbe sociale vaardigheden terwijl ze bij veel vrouwen abominabel zijn, en zoals feministen al lang weten, is het aan vrouwen overlaten van 'sociale' banen onderdeel van de manier waarop ze duizenden jaren van de rol van beslisser uitgesloten zijn geweest. Maar deze verschuiving naar een wereld die sociale vaardigheden beloont is onmiskenbaar. Anders geformuleerd: om de cognitieve voordelen van internet te kunnen binnenhalen, is vaak sociale inspanning vereist. Dit verontrust iedereen die sociale inspanning als een vervelende bezigheid of beneden zijn of haar stand beschouwt.

<a href=
We worden steeds slimmer wordt in Nederland uitgegeven door Maven Publishing.
Auteur

Clive Thompson (@pomeranian99) is journalist voor onder meer Wired en het New York Times Magazine. Sinds 2002 mag hij zich trotse bezitter van het Knight Science Journalism Fellowship, een specialisme voor technologie- en wetenschapsjournalisten uitgegeven door vooraanstaande technische universiteit MIT. We worden steeds slimmer is zijn eerste boek.