Inhoudsopgave
    

Tech-revolutie als grote gelijkmaker?
Maarten Reijnders
door Maarten Reijnders
leestijd: 8 min

Brengt de tech-revolutie voorspoed voor iedereen? Of leidt innovatie juist tot grotere ongelijkheid? En als dat zo is: wat valt daar dan tegen te doen?

"De internetwinkel van V&D moet het grootste warenhuis van de keten worden", verklaarde V&D-topman Mark McKeon in 2009. "Dit is de grootste verandering in de manier van winkelen die ik in mijn leven zal meemaken." De topman hoopte dat V&D via internet de wegblijvende klanten weer voor zich kon winnen.

Het bleek ijdele hoop. Op de laatste dag van 2015 werd de winkelketen na een lange lijdensweg failliet verklaard. Ruim tienduizend mensen, die vaak tientallen jaren bij de warenhuisketen hadden gewerkt, stonden van de ene op de andere dag op straat.

En de werknemers van V&D zijn niet de enigen die te lijden hebben onder de consument die de winkelstraat heeft verruild voor internet. De lijst van winkelketens die kopje onder gingen of in zwaar weer verkeren is eindeloos: Miss Etam, Dixons, MyCom, Perry Sport, Aktiesport, Scapino, Dolcis, Manfield, Invito... Reiswinkels, platenzaken en videotheken: ze bestaan nauwelijks meer.

Kodak

De creatieve destructie van de tech-revolutie vernietigt behalve oude bedrijfsmodellen ook baanzekerheid. De middenklasse staat in de hele westerse wereld onder druk. 

Bij Kodak, dat in 1880 werd opgericht, werkten op het hoogtepunt meer dan 145.000 mensen die een fatsoenlijke boterham konden verdienen bij de fotogigant. In 2010 waren er vijftien mensen nodig om Instagram op te richten. Zij verkochten de tent in 2012 voor een miljard dollar aan Facebook. In datzelfde jaar moest Kodak uitstel van betaling uitvragen. 

Heel Facebook was eind 2015 goed voor 12.691 fulltime banen. Dat zijn mensen die in de meeste gevallen een bijzonder goed belegde boterham overhouden aan hun dienstverband bij het sociale netwerk. Zelfs stagiairs harken bij Facebook rustig vijfduizend dollar binnen. Per maand ja. 

Kantoorbanen overbodig

De tech-revolutie maakt grote inkomens- en welvaartsverschillen mogelijk. Maar een heel klein groepje wordt extreem rijk omdat zij op het juiste moment de juiste dotcom hebben opgericht. 

Daar tegenover staat de postbode die dankzij e-mail een flexwerker is geworden met een lager salaris dan voorheen. De winkelbediende die wordt vervangen door een medewerker die in een grote hal bestellingen voor Amazon.com bij elkaar zoekt. De taxichauffeur die concurrentie heeft gekregen van Uber waar chauffeurs tegen lagere tarieven werken.

En volgens sommigen is dit allemaal nog maar het begin. Nieuwe technologische ontwikkelingen, zoals de opkomst van robots en kunstmatige intelligentie, zullen ook tal van kantoorbanen overbodig gaan maken. Het World Economic Forum voorspelt dat er tot en met 2020 zeker vijf miljoen banen verdwijnen. De klappen zullen vooral vallen bij administratieve- en sales-functies.

Volgens een rapport (PDF) van het Witte Huis zal 83 procent van de banen waarmee werknemers nu minder 20 dollar per uur verdienen, verdwijnen. Wie tussen de 20 en 40 dollar verdient, loopt ook nog een flink risico: 31 procent van die banen zal worden weggeautomatiseerd. Pas boven de 40 dollar per uur ben je veilig. Dan is de kans nog maar 4 procent dat een machine je werk op een kwade dag zal overnemen.

Mensen met hoge salarissen en grote vermogens profiteren van de tech-revolutie. Zij hoeven zich nauwelijks zorgen te maken over baanverlies en kunnen opeens nieuwe bronnen van inkomen aanboren. Denk aan Airbnb. De populairste appartementen op de huizendeelsite bevinden zich immers niet in probleemwijken waar mensen met lage inkomens wonen, maar in de grachtengordel of op Manhatten: waar mensen resideren die het toch al goed hadden.

Gratis of erg goedkoop

Zo te bezien is er voor de meeste mensen weinig reden om enthousiast te worden over de tech-revolutie. Maar er is ook een andere kant van het verhaal. Want al die innovatie zorgt er niet louter voor dat de rijken rijker en de armen armer worden. De technologische revolutie is tegelijkertijd een grote gelijkmaker.  Iedereen met een internetaansluiting heeft nu toegang tot meer informatie dan alle generaties voor ons. Een Afrikaan met een smartphone heeft nu veel meer kennis tot zijn beschikking dan een hoogleraar aan een prestigieuze universiteit in de jaren tachtig.

Veel producten en diensten die ooit schaars waren zijn dat al lang niet meer. Tal van zaken zijn gratis of extreem goedkoop geworden: brieven versturen of faxen (e-mail), telefoneren met het buitenland (Skype), cd's (Spotify), films (Netflix, Bittorrent), encyclopedieën (Wikipedia).

Astronauten op de maan

Deze vooruitgang is niet altijd even makkelijk in geld uit te drukken. Als we allemaal Wikipedia gebruiken, pakt dat mogelijk negatief uit voor het bruto nationaal product (we kopen immers geen encyclopedieën meer), maar je kunt moeilijk met droge ogen beweren dat de huidige situatie geen verbetering is.

Klassieke methodes om welvaart te meten, schieten sowieso nogal eens tekort om technologische ontwikkelingen goed te meten. Want hoe vergelijk je een computer uit 2000 met een computer van nu? Is dat twee keer hetzelfde apparaat? Of is er toch iets veranderd omdat hij nu veel sneller en beter is? 

We lopen inmiddels allemaal met een smartphone in onze broekzak die eindeloos veel krachtiger is dan de computers waarmee de eerste astronauten op de maan werden gezet. Of kijk naar deze advertentie uit 1991 van elektronicaketen RadioShack. Elk apparaat dat daarin te koop wordt aangeboden (de radio, de rekenmachine, de camcorder, het antwoordapparaat, noem maar op), zit inmiddels standaard in je iPhone. Of in een nog veel goedkopere smartphone die iedereen zich kan veroorloven. De toegang tot technologie en kennis is gedemocratiseerd.

Advertentie voor elektronica in 1991: alles zit nu in je goedkope smartphone
Advertentie voor elektronica in 1991: alles zit nu in je goedkope smartphone

Straks doen computers al het werk alleen

Allemaal mooi en aardig, maar wie zonder werk thuis zit, schiet daar natuurlijk weinig mee op. Leuk hoor, dat je zoveel met je smartphone kunt, maar een alternatief voor een baan – en het salaris en de zingeving die daarmee samenhangen – is zo'n apparaat natuurlijk niet. Wat nu als de robots straks onze banen komen afpakken en we massaal komen thuis te zitten?

De vraag is of het inderdaad zo'n vaart zal lopen. De angst dat nieuwe technologie tot massale werkloosheid zal leiden, is van alle tijden. Begin 19e eeuw waren er in Engeland bijvoorbeeld al de luddieten die moderne machines in fabrieken vernielden omdat ze die zagen als een bedreiging voor ambachtslieden. En in de jaren tachtig van de vorige eeuw zong Harrie Jekkers van Klein Orkest in het nummer Koos Werkeloos: "Je hoort vaak zeggen: waar moet dat heen? Straks doen computers al het werk alleen." 

Toen dat nummer verscheen, in 1983, was de werkloosheid in Nederland op een naoorlogs hoogtepunt: er waren destijds twee keer zoveel werklozen als nu, terwijl de bevolking sindsdien alleen maar is toegenomen. En zo gaat het vaker. Nieuwe technologie kan leiden tot (tijdelijke) werkloosheid, maar daarvoor komen tot nu toe altijd weer nieuwe banen in de plaats.

Denk nog even terug aan Kodak. De opkomst van digitale fotografie heeft een bloedbad aangericht bij dat bedrijf. Maar het aantal werknemers die betrokken zijn bij de productie van camera's (in smartphones) bedraagt wereldwijd inmiddels een veelvoud van het aantal werknemers in de foto-industrie in vorige decennia.

Op een houtje bijten

Blijft de ongelijkheid over. Die is in de westerse landen de afgelopen decennia ontegenzeggelijk toegenomen, zoals de Franse econoom Thomas Piketty in zijn indrukwekkende studie heeft aangetoond. 

En ja, de tech-revolutie levert ook een bijdrage aan de groeiende economische ongelijkheid. Wie een briljant plan heeft voor een startup of gewoon veel geluk heeft, kan in een paar jaar meer verdienen dan je in een mensenleven kunt opmaken. Net zoals dat het geval was tijdens de industriële revolutie toen fabrieksdirecteuren en oliebaronnen onwaarschijnlijk rijk werden terwijl veel arbeiders op een houtje moesten bijten. 

Daar werd destijds een eind aan gemaakt door overheden die monopolies in stukjes hakten en wetgeving aannamen om werknemers beter te beschermen. Beleid dat werkte: voorspoed voor werknemers bleek decennialang prima samen te kunnen gaan met grote technologische ontwikkelingen.

Fiscale trapezewerkers

Wie zich zorgen maakt over de groeiende ongelijkheid, moet dan ook niet alleen met de beschuldigende vinger naar Silicon Valley wijzen. De recent toegenomen inkomens- en welvaartsverschillen zijn in de eerste plaats het gevolg van overheidsbeleid. In de slipstream van Margaret Thatcher en Ronald Reagan die eind jaren zeventig en begin jaren tachtig aan de macht kwamen, hebben politici massaal het vertrouwen verloren in het vermogen van de overheid om de economie bij te sturen.

Het wordt tijd dat politici dat vertrouwen weer terug krijgen. We hebben namelijk weer veel behoefte aan een overheid die bedrijven aanspreekt als zij misbruik maken van hun nieuw verworven macht. Denk aan partijen als Amazon.com en Bol.com, die eerst hun concurrenten in de winkelstraat hebben weggeconcurreerd en nu als echte monopolisten hun leveranciers het mes op de keel zetten.

We hebben een overheid nodig die zich ontfermt over de 'verliezers' van de tech-revolutie. Want de wereld wordt er een stuk complexer op door alle innovaties en door financiële en andersoortige beperkingen kan niet iedereen daarin meegaan. Dan past het dus niet om te bezuinigen op de studiefinanciering of sociale werkplaatsen.

Kost dat te veel? Dan kan de overheid misschien ietsje meer vragen van degenen die zo hebben geprofiteerd van de tech-revolutie. Nee, dat heeft niets met afgunst of jaloezie te maken. Wie een briljant plan heeft voor een startup (Sergey Brin en Larry Page) of gewoon heel veel geluk heeft (Mark Zuckerberg) kan nu in een paar jaar meer verdienen dan je in een mensenleven kunt opmaken en dat hoeft ook niet te veranderen. Maar overheden zouden wel moeten voorkomen dat grootverdieners hun vermogens via Panama wegsluizen. Of dat multinationals zoals Apple en Google dankzij de fiscale trapezewerkers aan de Amsterdamse Zuidas nauwelijks belasting hoeven te betalen.

Auteur

Maarten Reijnders (@rohy) was in 1996 mede-oprichter van e-zine SmallZine. Toen het eind 2004 stopte, was SmallZine met ruim dertigduizend abonnees één van de grootste Nederlandstalige e-zines. Van 2000 tot 2006 was Reijnders redacteur bij Webwereld. Nu is hij freelance journalist voor onder meer Bright en Wordt Vervolgd.