Inhoudsopgave
    

De VR-wereldspeler uit Amsterdam
Floris Poort
door Floris Poort
leestijd: 6 min

Er liggen steeds meer virtualreality-brillen in de winkels en huiskamers, maar waar worden vernieuwende VR-games gemaakt? Gewoon in Amsterdam, door de grootste VR-maker van Europa.

Die maker van virtualreality-games en VR-toepassingen heet Force Field. De Amsterdamse studio bestaat grotendeels uit het voormalige Vanguard Games, dat is opgegaan in Force Field. Maar waar Vanguard nog traditionele games voor het platte scherm maakte, zoals Halo: Spartan Strike, legt Force Field zich helemaal toe op alles waarvoor je een bril op moet zetten.

"We zijn er heilig van overtuigd dat VR de toekomst is, met name voor games", zegt Force Field mede-oprichter Martin de Ronde. "Op een geven moment hebben we de knoop doorgehakt: we gaan niet meer het één of het ander doen, we gaan ons uitsluitend focussen op VR. Als je ergens goed in wil worden dan moet je je specialiseren, daarom hebben we die overstap gemaakt."

Kip-en-eiprobleem

De Ronde weet dat de VR-markt nog pril is, toch kan hij zich nu al volledig toeleggen op de technologie. "Het risico met VR is dat er op dit moment nog niet genoeg brillen verkocht zijn", zegt hij. "We zien wel dat er steeds meer brillen worden verkocht, maar die markt is nog niet te vergelijken met die van de bestaande spelcomputers als de PlayStation 4 of de Xbox One. De tijd van VR gaat zeker komen, het duurt nog eventjes tot het zover is, maar in die tussentijd zijn wij samenwerkingen aangegaan met fabrikanten van VR-brillen. Anders ontstaat er al snel een kip-en-eiprobleem: als er niet genoeg content is, worden er geen brillen gekocht, maar als er niet genoeg brillen worden verkocht, worden er ook geen spellen voor ontwikkeld. Juist omdat fabrikanten die content nodig hebben gaan ze investeren, hebben ze een aantal ontwikkelaars uitgekozen en daar zijn wij er één van."

Force Field kwam dankzij een gelukkige samenloop van omstandigheden in contact met Facebook-bedrijf Oculus, dat dit jaar zijn VR-bril Rift op de markt bracht. Nu ontwikkelt het Amsterdamse bedrijf toepassingen voor Oculus, en dat is handig volgens De Ronde. "Het voordeel van het samenwerken met dat soort hardware-partijen is dat je een budget krijgt om te gaan ontwikkelen voor die platformen terwijl de markt nog in ontwikkeling is", zegt hij. "In plaats van dat je zelf voorzichtig gaat investeren, omdat de markt niet groot genoeg is, geeft Oculus je een veel groter budget om echt iets moois te gaan maken, iets dat laat zien wat hun brillen kunnen doen en hoe ontzettend cool virtual reality is."

Bright TV ging op bezoek bij Force Field

Toch richt Force Field zijn pijlen niet op één partij. "We zijn met iedereen in gesprek", aldus De Ronde. "We hebben nu een exclusief project met Oculus, maar dat betekent niet dat we alleen voor Oculus werken. Zo zijn we bijvoorbeeld met HTC en Sony in gesprek, we zijn zelfs al aan het ontwikkelen voor bepaalde nieuwe hardware die aan het uitkomen is."

Veel dingen werken gewoon niet in VR

Bovendien wil De Ronde met Force Field nog eerst veel leren en experimenteren. "Er zijn onwijs veel verschillen tussen de standaard games voor platte schermen en het ontwikkelen van VR-games", zegt hij. "Gek genoeg zijn er ook wel weer veel overeenkomsten met het ontwikkelen van traditionele games. Je betreedt die markt met het idee dat iets dat we al kennen nog een keer maken voor VR, dan kom je allemaal dingen tegen die in VR gewoon niet werken. Een simpel voorbeeld: In een normale game bestuur je het mannetje met je joypad, maar waar gaat het mannetje heen als je je hoofd in VR naar rechts draait? Gaat het mannetje naar rechts of blijft hij rechtdoor lopen? Simpele dingen waar je normaal helemaal niet over nadenkt, kunnen voor problemen in VR zorgen waar je weer oplossingen voor moet gaan bedenken."

"Voor het verhaal is VR ook lastig", gaat De Ronde door. "Bij een plat 2D-scherm weet je altijd waar de aandacht van de kijker is, maar als je in de virtuele wereld tijdens een belangrijke explosie net even naar rechts aan het kijken bent, kun je een belangrijk deel van het verhaal missen." Op het gebied van VR ben je volgens De Ronde dan ook nooit uitgeleerd. "Het mooie aan VR is dat het niet alleen bestaande genres zijn die je kan overzetten, zoals bijvoorbeeld films, tv of games. Maar je ontwikkelt en ontdekt gaandeweg ook nieuwe genres, waar ook weer allemaal nieuwe elementen naar voren komen, waarvoor je dingen moet leren, moet afleren en ontdekkingen doet."

Mysterieus doen over mixed reality

Force Field wil niet veel kwijt over de game die het voor Oculus ontwikkelt, los van dat het een schietspel wordt, en één van de grotere Rift-exclusives. Maar het bedrijf kijkt ook al naar andere technologieën, zoals augmented reality. "In principe is het eigenlijk allemaal virtual reality, omdat wat je ziet niet echt bestaat", legt De Ronde uit. "Maar als je het heel simpel wilt zeggen heb je ofwel een bril die je totaal afsluit van de buitenwereld en dan heet het virtual reality, of je hebt een bril op waardoor je de wereld nog kan zien en waarbij objecten worden toegevoegd. En dan heet het mixed reality of augmented reality."

Wanneer we doorvragen blijft De Ronde mysterieus: "Het enige wat ik daarover kan zeggen is dat er verschillende technologieën zijn waar we mee bezig zijn. Je hebt Microsofts Hololens, je hebt Magic Leap, Cast AR; er zijn verschillende partijen die daar mee bezig zijn. Ik kan zeggen dat wij met holographic development bezig zijn op één van die apparaten."

Waar de Microsoft Hololens en de bril van CastAR al getoond en getest zijn, is Magic Leap nog steeds mysterieus. Het bedrijf kreeg al gigantische investeringen van onder meer internetwinkel Alibaba en Google, maar hoe het apparaat precies werkt weten we nog steeds niet. En ook al liep De Ronde tijdens ons interview met een waterflesje van Magic Leap rond, waar Force Field aan werkt blijft vooralsnog een geheim.

Oudere doelgroep bereiken

Ondertussen denkt De Ronde dat VR in 2018 doorbreekt voor het normale publiek. "VR en AR zijn natuurlijk al bekend bij gamers, vooral bij een oudere doelgroep is lastig te bereiken. Het zal voornamelijk neerkomen op het gebruikersgemak. Hoe minder knoppen, draden en gedoe met opzetten hoe makkelijker het zal zijn om ook die oudere doelgroep binnen boord te krijgen."

"Wat we wel weten is dat er veel mogelijkheden zijn om content te maken voor dat soort groepen. Zo zie ik mijn moeder bij wijze van spreken een toeristische VR-applicatie gebruiken. Er zijn onwijs veel mogelijkheden om voor verschillende doelgroepen iets met VR te doen."

Auteur

Floris Poort (@florispoort) begon twee jaar geleden als stagiair bij Bright. Hij bleef hangen en is inmiddels redacteur. Blogt vrijwel dagelijks op Bright.nl en bij Nu.nl. Houdt van alles met een batterij erin of stekker eraan.

Dave Hakkens: groot in modulair bouwen
Laurens Lammers
door Laurens Lammers
leestijd: 8 min

Hij bedacht een modulaire smartphone en modulaire machines die afvalbergen kunnen verminderen. Bij ontwerper Dave Hakkens is afvalbestrijding een rode draad in zijn werk. Een interview.

Dave Hakkens, de Helmondse industrieel ontwerper en uitvinder, is net terug van een zes maanden durende reis door Azië. Plekken die hij bezocht waren onder meer Indonesië, Cambodja en de eilandengroep Malediven. Wat hij daar deed? Behalve genieten van een lange vakantie zamelde hij ook bergen plastic afval in. Op stranden ver weg van Nederland was hij vooral bezig met grote beach cleanups.

In de slums van Mumbai zag hij verder hoe groot daar de lokale afvalproblemen waren. "In Nederland is ons afval goed weggestopt overal. In Azië is dat heel anders", vertelt Hakkens. "Vooral in Indonesië zie je het plastic echt overal liggen. Op het land maar ook in de oceaan. Mensen leven er letterlijk tussenin. Ik ben zelfs bij de landfills geweest, de grote stortplaatsen waar het afval vaak onder de grond wordt begraven. Het probleem in Indonesië is groot, omdat het land uit een hele reeks eilanden bestaat met een slecht afvalbeheer en de eilandbewoners hun afval niet in boten willen verschepen."

Met zijn laatste grote project, genaamd Precious Plastic, toonde Hakkens aan slimme oplossingen te hebben voor het plasticprobleem: machines die geheel open source zijn en waarmee mensen lokaal het probleem kunnen aanpakken en nieuwe dingen kunnen maken uit gerecycled plastic. Op internet toont hij in tekeningen en uitgebreide instructievideo's hoe deze machines zijn te bouwen.

Als overheden weigeren de problemen aan te pakken, dan zijn het volgens Hakkens vooral de lokale mensen die geholpen moeten worden om de bergen plastic te verkleinen. "Iedereen kan met de blueprints van mijn machines aan de slag. Mijn einddoel is om zo een revolutie op gang brengen bestaande uit kleine recyclefabriekjes overal ter wereld."

Hakkens' concept van Phonebloks uit 2013
Hakkens' concept van Phonebloks uit 2013

Centraal thema

Afval en hoe daarmee om te gaan: het is een centraal thema in het werk van de pas 28-jarige Helmonder. Als onderwerp keert het altijd weer terug in zijn ideeën. Met zijn in 2013 gepresenteerde project Phonebloks was dat niet veel anders. In 2014 won hij er de Young Designer Award mee: een telefoon die geheel bestaat uit verwisselbare componenten of modules en een duurzaam alternatief moet gaan bieden voor de iPhones, Samsung Galaxy's, Sony Xperia's en andere smartphones met een korte levensduur. Een telefoon die nooit verouderd en altijd up-to-date is: dat is wat volgens Hakkens mogelijk moet gaan worden. Speakers, accu, scherm, processor: alles zal  vervangbaar zijn door van de telefoon een blokkendoos te maken en losse componenten vast te klikken op een basisplaat.

Met zijn Phonebloks-concept hoopte Hakkens veel beter in te spelen op de behoeften van vele  smartphonegebruikers. Zijn idee bleek ook zo interessant dat hij hiermee de interesse wekte van technologiebedrijven met daaronder Google als grootste en bekendste bedrijf. Project Ara, zo ging het speciale platform van Google heten dat drie jaar geleden aan de modulaire telefoon ging werken. Met Hakkens als grote inspirator en adviseur. 

"Google belde me of ik niet voor ze kon komen werken. Dat was een mooi aanbod. Ik kon op een leuke plek gaan werken met een leuk budget. Maar ik heb het niet gedaan. Mijn eerste idee was ook dat niet Google maar de industrie de telefoon zou gaan maken."

Prototype van Googles modulaire Project Ara-smartphone
Prototype van Googles modulaire Project Ara-smartphone

Veel problemen

Met Project Ara zou Google ook veel problemen krijgen. De telefoon was te moeilijk om te maken. Blokken vielen uit elkaar. In de dit jaar gepresenteerde laatste ontwikkelaarsversie bleek dat Google ook concessies had gedaan ten aanzien van het originele idee. In plaats van een volledig modulaire telefoon was slechts een deel van alle componenten vervangbaar. Groot was verder het nieuws begin september dat Google was gestopt met de modulaire telefoon die in 2017 op de markt had moeten komen.

- Mensen kennen je vooral van je Phonebloks-idee. Dat sloeg in als een bom na het maken van een filmpje hierover dat viraal ging op internet. Had je dat verwacht?

"Nee. Het was een afstudeerproject aan de Design Academie in 2013. Voor mij was het simpel: ik had een filmpje over Phonebloks online gezet. Daarna zou ik doorgaan met leven. Maar het pakte heel anders uit. In het begin heb ik vooral supporters voor het idee gezocht. Dat lukte goed via de site Thunderclap. Daarop kun je mensen vragen om hun netwerken voor je idee open te stellen en een oproep doen om op een vooraangekondigde dag in actie te komen. Supporters kunnen dan het idee ondersteunen door allemaal tegelijk een bericht hierover te versturen via Facebook, Twitter of ander netwerk. Zo heb ik een bommetje kunnen creëren met hulp van bijna een miljoen mensen."

Je hebt eerst Motorola en later Google geholpen bij de ontwikkeling van je blokkentelefoon. Wat was jouw rol daarbij precies? 

"Ik ben zelf nooit bij de technologische ontwikkeling geweest. Ik ben wel langs geweest om te zien hoe het ging, maar ik ben geen hardware-ontwikkelaar. Voor Project Ara ben ik ook vooral bezig geweest om een Phonebloks-community op te zetten en bij het project te betrekken. Ik heb ervoor gezorgd dat Project Ara in eerste instantie heel open was. En dat veel informatie uit het project gedeeld zou worden. Mensen konden zo actief meedenken en het project was geen gesloten systeem. Daarnaast heb ik gekeken naar de updates, wat beter zou kunnen en dat soort dingen. Ik wilde verder geheel onafhankelijk bij het project betrokken zijn. Als ik bij Google was gaan werken, was ik één stem in een groot bedrijf geweest. Dan had ik weinig stuurmogelijkheden gehad. Onafhankelijk had ik altijd nog de community achter me. Dus als Google slecht materiaal zou gebruiken, zouden we via de community een krachtige stem laten horen om dit niet te doen."

Google maakte van Project Ara ook geen open source project. Waarom niet, denk je?

"Dat was zeker één van de dingen die ik in het begin als nadeel zag. Maar zoals gezegd: online was er veel informatie over Project Ara te vinden. Er was ook een model developerkit, waardoor ontwikkelaars wisten wat het project inhield, hoe ze ermee aan de slag konden en welke protocollen ze nodig hadden. Het was al met al dus een vrij open project."

Nog vrij modulair

De officiële ontwikkelaarsversie van Project Ara die Google eerder dit jaar presenteerde viel tegen. Het idee van een volledig modulaire telefoon was losgelaten. In plaats daarvan waren de belangrijkste onderdelen, zoals de processor, het scherm en de accu, niet meer inwisselbaar. Wat vond jij daarvan?

"Gemengde gevoelens. Voordat Google ermee begon was het wel duidelijk. Google had een ambitieus plan. Iedereen die in het team van Project Ara zat, had twee jaar de tijd om de telefoon te ontwikkelen. Als je een deadline hebt, dan werk je daar naar toe en gaat de innovatie vaak sneller. Toch was de eerste modulaire telefoon van Google lang niet zo modulair als Phonebloks. Voor mij was Phonebloks meer een visie. Het maken van die telefoon kon wel tien jaar duren in plaats van twee. Na twee jaar besloot Google al de boel om te gooien en de telefoon een stapje minder modulair te maken. Dat was jammer. Ik had het liefst een telefoon gezien die zo modulair mogelijk is. Toch werd de telefoon nog vrij modulair in vergelijking met veel andere smartphones die te koop zijn."

Was het een grote schok voor je: de mededeling van Google dat Project Ara zou worden beëindigd? 

"Ja. Dat zagen we echt niet aankomen. Het was ook vervelend voor ontwikkelaars en bedrijven die al bezig waren met het maken van modules of bepaalde cameracomponenten. Die hebben hier best veel tijd in gestoken en zijn nu een beetje in de steek gelaten."

Op je blog schreef je dat Google te weinig zou verdienen aan het uitbrengen van modulaire telefoons. En dat dit mogelijk tot het einde van Project Ara heeft geleid.

"Dat idee had ik inderdaad. Zelf denk ik nog steeds dat er een grote markt is, afhankelijk van de modules die worden gebouwd. Google is echter geen hardwarebedrijf en ook niet ingesteld op het fabriceren van zo'n telefoon. Het moet daarvoor eerst een heleboel investeringen opdelen voordat het bedrijf een geschikte infrastructuur heeft opgezet. Bij een hardwarefabrikant is dat niet nodig."

Was het daardoor sowieso niet verkeerd van Google om Project Ara op te starten? De ontwikkeling van de Google Glass-bril werd ook geen succes. 

"Google Glass liep anders verkeerd af. Google had een bril, hij was klaar. Consumenten hadden er echter geen goed gevoel bij. Dat is niet bij de modulaire telefoon. Consumenten wachten daar nog steeds op en willen hem nog altijd. De technologie biedt echter nog teveel weerstand."

Wat is volgens jou nog het belangrijkste probleem bij het bouwen van een goede modulaire telefoon? Is dat het feit dat deze nog te dik is bijvoorbeeld, terwijl dunner de trend is? Of is dat het feit dat als je hem dunner maakt je ook de prestaties of functionaliteit van de telefoon vermindert?

"Het is vrij lastig om modulaire telefoons te maken volgens de waarden en normen van nu. Maar het is een kwestie van tijd. Op een bepaald moment hebben telefoons niet meer RAM-geheugen nodig en zullen camera's niet veel kleiner meer worden. Op dat moment komt er ook meer ruimte voor een modulaire telefoon."

Kleinere partijen

In een interview vroeg je je af of een groot bedrijf als Google niet beter had gekund met Project Ara. Vraag je je dat nog steeds af?

"Ja. Zeker als je weet hoeveel resources en geld Google tot zijn beschikking heeft. Het bedrijf maakt dan wel geen hardware, maar het kan wel weer heel goed een platform voor smartphones opzetten. Aan de andere kant heeft het bedrijf ook aandeelhouders die kunnen besluiten om een project te cancelen. Als Google het écht zou willen, zou het zeker een grote stap kunnen maken in de ontwikkeling van volledig modulaire telefoons."

Op je blog schreef je dat je hoop houdt dat volledig modulaire telefoons er ooit wel zullen komen. Maar dat het misschien veel kleinere partijen als PuzzlePhone en Fairphone zijn die de draad weer oppakken. In hoeverre acht jij deze bedrijven ook in staat om een toptelefoon te maken?

"Ik heb altijd gedacht dat als je een volledig modulaire telefoon wilt maken, je ook een ecosysteem nodig hebt voor modules vergelijkbaar met de App Store van Apple. Als je dat niet hebt, is een modulaire telefoon ook niet nuttig. Grote bedrijven kunnen zo'n ecosysteem opzetten. Voor een klein bedrijf is dat veel moeilijker. Aan de andere kant: één van de dingen die Project Ara zo lastig maakte, was dat Google de telefoon meteen grootschalig voor de consument wilde maken. Zo'n telefoon moet dan meteen perfect zijn. Bij veel kleinere bedrijven, zoals Puzzlephone of Fairphone, is dat niet zo. Die hebben de ruimte om eerst te groeien en te evolueren. De telefoon hoeft niet meteen goed te zijn. Zo'n bedrijf staat ook niet in de spotlights. Dat zorgt voor rust en minder druk van buitenaf."

Een van de machines voor het recyclen van plastic
Een van de machines voor het recyclen van plastic

Niet altijd milieuvriendelijk

Renee Wever, hoogleraar industrieel ontwerpen, zei onlangs in de Volkskrant dat 'milieuvriendelijke' modulaire telefoons niet altijd goed zijn voor het milieu. Vooral niet als fabrikanten gebruikers gaan stimuleren om onderdelen vaker dan 1,5 keer per jaar te vervangen. Heeft Wever hiermee een punt of niet?

"Gebruikers worden nu min of meer gedwongen om een hele telefoon weg te gooien omdat iets het niet meer doet. Door hem modulair te maken, ontstaat een grotere markt voor losse componenten die vaak worden verwisseld. Maar het is dan wel de keuze aan jou of je hieraan meedoet. Laat jij je wel of niet verleiden tot het kopen van een nieuwe camera? Dat eerste hoeft niet op grote schaal te gebeuren."

Wat voor smartphone heb je zelf en is die deels modulair? Een PuzzlePhone misschien?

"Ik heb een iPhone. Dat was mijn eerste smartphone en die heb ik nog steeds. Ik ben ook meer het type gebruiker dat probeert zijn telefoon zo lang mogelijk te houden." 

Moet je als bedenker van de blokkentelefoon niet een deels modulaire telefoon hebben en het voorbeeld geven?

"Mijn hoofddoel is minder e-waste. Die krijg je door minder vaak een telefoon te kopen of hem te upgraden. Zolang mijn oude telefoon nog werkt, heb ik geen andere nodig. Ik kan een modulaire kopen, ja, maar wat doe ik dan nog met mijn iPhone? Een nieuwe telefoon leidt ook altijd tot meer afval."

Deze week werd bekend dat Facebook een bedrijf heeft overgenomen dat modulaire gadgets maakt. Een goede zet van Facebook?

"Zeker! Dat laat zien dat modulaire technologie nog niet dood is."

Voor het Precious Plastic-project bedacht je machines die plastic kunnen recyclen of iets nieuws van  plastic afval maken, geheel open source zijn en ook weer modulair. Kun je in het kort een beschrijving geven van een paar van die machines en wat de mogelijkheden ervan zijn?

"Het gekke aan het recyclen van plastic is dat dit is voorbehouden aan grote bedrijven. Hout of metaal kunnen we thuis bewerken, maar met plastic gaan alleen de grote jongens aan de slag. Het leek me dus logisch dat ook mensen thuis de tools hebben om te beginnen, zodat mensen in Indonesië of Afrika gewoon de plastic zooi kunnen opruimen, hergebruiken en geld hiermee kunnen verdienen. De machines zijn ook gebaseerd op industriële standaarden. Alleen dan versimpeld, zodat je ze zelf kunt bouwen. Elke machine heeft weer een andere functionaliteit. Er is een shredder die plastic vermaalt in kleine stukjes, zodat je er iets nieuws mee kunt maken. Met een andere machine kun je filamenten  voor 3D-printers maken. Daarmee kunnen mensen overal lokaal hun afval omzetten in producten." 

Wat wordt er zoal geprint?

"In Afrika was een groepje mensen bezig met het bouwen van waterfilters. Die hadden een component geprint waarmee je een waterfilter eenvoudig op een fles kan zetten. Zo heeft kunststof afval toch weer iets nuttigs. Maar ik zie nog weinig concrete producten. De verdere ontwikkeling en verspreiding van de technologie is nu ook nog het belangrijkst."

Je hebt ook zelf je machines gebruikt om producten te maken. Wat waren dat voor producten?

"Dingen die ik heb gemaakt zijn vazen, potten, handvaten van messen, rollen 3D-printer filamenten die je zo kunt verkopen op de rommelmarkt en ook nog een kattenbak. Daarmee wilde ik vooral laten zien hoe je dingen maakt, bijvoorbeeld door eerst mallen te maken. Ik ben verder niet bezig geweest om het meest goede product te maken, maar alleen om de mogelijkheden te laten zien. Ik heb ook geen eigen productielijn. En ik verkoop niets." 

Vijftig tot honderd bouwers

Iedereen kan met je machines aan slag door video's en blueprints te downloaden en ze aan de hand van jouw instructies te bouwen. Heb je eigenlijk een idee hoeveel machines er al zijn gebouwd?

"Niet precies. Ik zie wel berichten op een speciale Facebook-pagina en ik ontvang wel eens iets in de mail. Ik denk dat er in totaal vijftig tot honderd mensen zijn die met de blueprints aan de slag zijn gegaan en één of meerdere machines hebben gebouwd. Vaak zijn het eenlingen. Maar er zijn ook organisaties die ze willen bouwen. Daar gaat het alleen wat langzamer allemaal. Organisaties moeten eerst altijd alles goedkeuren. Pas daarna wordt het project opgestart." 

Moet je ook niet een beetje een nerd zijn om een machine te kunnen bouwen? Blueprints die je kunt downloaden bevatten ook CAD-files. Daar kan toch lang niet iedereen mee overweg?

"De machines zijn sowieso niet voor mijn moeder bedoeld, maar meer iets voor gemeenten. Ik zou in elke plaats of stad een setje machines gebruikt willen zien worden, zodat er plaatselijk meer afval kan worden ingezameld. Ik hoop verder dat mensen lokaal andere mensen gaan zoeken die machines kunnen bouwen. Sinds het project online kwam, ben ik er namelijk achter gekomen dat er mensen en bedrijven zijn die zeggen: 'Ik heb geld, kun je een machine voor me bouwen?' Aan de andere kant zijn er de mensen die willen bouwen. Het doel nu is om deze twee groepen online met elkaar te verbinden."

Van gerecycled plastic gemaakte producten
Van gerecycled plastic gemaakte producten

The Story of Stuff

In de korte animatiefilm The Story of Stuff van Annie Leonard uit 2010 was te zien hoe onze spullen letterlijk worden ontworpen voor de vuilnisbelt. Was Leonard ook een grote inspirator voor jouw Precious Plastic-project?

"Zeker. Op de Design Academie was ik vaak bezig om iets te maken, zoals een nieuwe stoel of een nieuwe tafel. Leonard had een logisch verhaal als productontwikkelaar. Dat je als designer altijd moet weten of je bezig bent met iets nuttigs of niet. En dat je wezenlijk kunt bijdragen om de afvalberg te verkleinen. Hoe verleng je bijvoorbeeld het beste de levenscyclus van producten? Afvalbestrijding is ook een rode draad geworden in mijn werk als ontwerper." 

Leonards film leidde tot een grote online community waarop zo'n 150.000 mensen zich bezighouden met duurzaamheid en milieu. Ook jij zet communities op rond je projecten. Is dat ook jouw grootste drijfveer als innovator: een wereldwijde beweging op poten zetten en zo een revolutie ontketenen? 

"Ik geloof zeker in de kracht van wat mensen zelf kunnen doen. Het Phonebloks-project was nooit iets geworden als mensen het niet zouden ondersteunen. Ook bij Plastic Precious gaan de ontwikkelingen veel sneller als er een community achter zit. Ik geloof dus heilig in dit soort communities en dat deze zeer bevorderlijk zijn bij de ontwikkeling van je ideeën."

Dingen die jij bedenkt, zijn altijd modulair. Je kunt ze als simpele bouwstenen in elkaar zetten. Hoe ben je eigenlijk ooit zo verslaafd geraakt aan modulaire systemen?   

"Vooral doordat ik minder e-waste wil maken. In eerste instantie wilde ik een telefoon bouwen die honderd jaar mee kon gaan. Door technologische ontwikkelingen worden telefoons ook wel steeds beter. Het enige nadeel nu is: of het hele ding wordt beter of je gooit alles weg. Er zit niks tussenin. Het is nooit zo dat je alleen maar een onderdeeltje hoeft te vervangen omdat het verouderd is. Daarom is modulair bouwen het meest logische, denk ik."

Loop je alweer rond met een nieuw idee waarmee je de wereld kunt veranderen en een heleboel mensen kunt mobiliseren?

"Er zijn nog genoeg problemen om op te lossen en veel onderwerpen waar ik iets mee kan doen. Maar ik ben ook voorstander van je dingen goed afronden. Momenteel twijfel ik tussen een nieuw onderwerp of nog even doorgaan met Precious Plastic. De impact van Precious Plastic kan nog veel groter worden gemaakt. Veel mensen raken er ook nog enthousiast van. En ik kan er nog op heel veel meer plekken in de wereld verschil mee maken."

Auteur

Laurens Lammers is freelance journalist en schrijft veel over internettechnologie, internetcultuur en beginnende internetbedrijven.

Het échte privacyprobleem
Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis
door Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis
leestijd: 7 min

Argeloze burgers willen online surveillance niet zien. En daardoor zien zij ook niet wat er écht op het spel staat door deze massale privacyschending, schrijven Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis, auteurs van het boek 'Je hebt wél iets te verbergen'.

In de lente van 2014 vloog de Nederlandse zakenman Erik Pas van Amsterdam naar Los Angeles. Voordat hij het vliegtuig in mocht, werd hij staande gehouden door twee Amerikaanse air marshalls die hem aan een verhoor onderwierpen.

Waar ging hij naartoe? (Los Angeles)
Waar kwam hij vandaan? (Van huis)
Was hij wel eens in het Midden-Oosten geweest? (Nee)

Na een half uur mocht hij het vliegtuig in.

In Los Angeles werd Erik Pas opgewacht door bewapende agenten. Opnieuw moest hij meekomen en opnieuw werd hij verhoord. Weer die vragen.

Waar ging hij naartoe? (Een huurhuis in Los Angeles)
Waar kwam hij vandaan (Nederland)
Was hij wel eens in het Midden-Oosten geweest? (Nee)

Na een ruim een uur mocht hij eindelijk gaan.

Toen hij bij zijn huurhuis aankwam in Los Angeles ging de deurbel. Twee agenten stonden op de stoep. Die wilden controleren of hij echt naar dit adres was gekomen. Ze bedankten hem voor zijn tijd en gingen weer weg.

Wat was er toch aan de hand?

Achteraf bleek dat het ip-adres van de computer van Erik Pas, waarop hij de reis had geboekt, onlangs door zijn provider Vodafone was opgekocht in Jordanië. Providers kopen van elkaar zogenoemde ip-blokken als er bijvoorbeeld tekorten aan nummers dreigen in een land. De administratie was nog niet bijgewerkt op het moment dat Pas zijn reis boekte. De Amerikaanse douane dacht daarom dat hij zijn reis vanuit Jordanië had geregeld. Dat was blijkbaar verdacht.

Het verhaal van Erik Pas laat zien waarom we op een verkeerde manier over privacy praten. In discussies over privacy valt vaak de opmerking: "Ik heb niets te verbergen, dus ook niets te vrezen." Maar privacy gaat niet over wel of niet iets verbergen te hebben. Privacy gaat niet alleen om informatie over individuen. Privacy gaat óók over ons allemaal. Over fundamentele collectieve rechten en waarden. We noemen er vijf.

Voorwaardelijk burgerschap

Erik Pas kwam in de problemen door fouten in de verwerking van zijn persoonsgegevens. De laatste jaren werkt de douane in veel landen met zogenoemde risicoprofielen. Op basis van allerlei boekingsgegevens, historische reisgegevens en nog meer aanvullende data wordt een inschatting gemaakt van het risico dat iemand vormt voor een bijvoorbeeld een aanslag. Een fout in Pas’ data zorgde voor een verkeerde inschatting.

Maar dat is niet onschuldig, want op basis van zo’n inschatting wordt gehandeld. Op basis van zo’n risicoprofiel mag je wel of niet verder reizen. Het probleem is natuurlijk de kwaliteit van de data. Omdat die data telkens weer anders zijn, is het profiel en de beslissing die daarop wordt gebaseerd ook telkens anders. Daar is een naam voor: willekeur.

Die willekeur is niet zo erg als het gaat om het leveren van advertenties aan iemand, maar wel als het gaat om het aanspraak kunnen maken op rechten. Erik Pas had nog geluk: hij kon uiteindelijk gewoon reizen, maar tienduizenden mensen kunnen niet meer reizen omdat ze op een No-Fly list staan, dikwijls onterecht. Er zijn voorbeelden van kinderen die niet kunnen reizen omdat ze een naam delen met een terrorismeverdachte. Of een Maleisische universitair docente die, na jaren in de VS te hebben gewoond, niet meer naar huis kon omdat haar naam was verwisseld met een terrorist.

Erik Pas en deze verkeerd geprofileerde mensen hebben geen klassiek privacyprobleem, nee, dit gaat over voorwaardelijk burgerschap. De manier waarop je gegevens worden geanalyseerd bepaalt de mate waarin je gebruik kan maken van je rechten. En die analyse kan telkens verschillen.

Solidariteit

Een tweede waarde die wordt uitgehold door het verlies van privacy is solidariteit. Zorg- en schadeverzekeraars hebben steeds meer data beschikbaar waarmee ze gepersonaliseerde premies kunnen berekenen. Wie zich laten meten met een FitBit, of een kastje in de auto laat installeren die het rijgedrag monitort, kan een goedkopere verzekering krijgen.

Maar eigenlijk is dat heel gek. Verzekeren is immers dat je individuele risico’s van mensen bundelt om ze over een grotere groep te spreiden. Door steeds meer persoonlijke gegevens te gebruiken en het gedrag van mensen in kaart te brengen, kunnen verzekeraars deze risico’s individualiseren. Wat voor ons een gepersonaliseerde aanbieding is, is voor de verzekeraar het verschuiven van de risico’s naar de consumenten.

Het verzamelen en gebruiken van persoonsgegevens door verzekeraars is daarmee geen klassiek privacyprobleem, nee, het kan een ondermijning zijn van maatschappelijke solidariteit. 

Discriminatie

In steeds meer landen gebruiken rechters profileringssoftware om de strafmaat te bepalen van veroordeelden. Wie, volgens statistische modellen, een grotere kans heeft om in herhaling te vallen, krijgt een langere straf. Als de kans op recidive kleiner is, dan kan de straf juist lager uitvallen. Noem het maar gepersonaliseerd vonnissen.

Het probleem is dat minderheden in dit soort systemen zwaarder gestraft worden. Dat heeft er vooral mee te maken dat de modellen data uit het verleden gebruiken, waardoor vervuiling van oude statistieken - waar al een vooroordeel jegens minderheden inzit - wordt versterkt.

Het gebruik van persoonsgegevens van verdachten en veroordeelden kan zo discriminatie in de hand werken en gaat zo over veel meer dan privacy.

Autonomie

Tot slot gebruiken bedrijven en overheden in toenemende mate allerlei gegevens om ons gedrag te sturen. Winkels en adverteerders kijken bijvoorbeeld naar je browse- en aankoopgeschiedenis om te leren wat voor soort iemand jij bent. De Amerikaanse winkelketen Target wist bijvoorbeeld dat een tienermeisje zwanger was en stuurde haar, tot verbazing van haar geschokte ouders, reclamemateriaal toe.

Wat onderbelicht bleef in dit verhaal is hoe Target op de ophef reageerde. Ja, de winkelketen kon heel veel leren van de ogenschijnlijk nietszeggende browse- en aankoopgegevens, en ja, een woordvoerder begreep dat mensen dit creepy vonden. Target loste dit op niet door klanten beter te informeren of toestemming te vragen, maar door hele gerichte advertenties af te wisselen door totaal irrelevante advertenties. Zwangere vrouwen kregen dan bijvoorbeeld ook advertenties voor grasmaaiers te zien. Op die manier hadden mensen het niet door dat ze, nou ja, getarget werden.

Hoeveel mensen weten eigenlijk dat hun nieuwsfeed op Facebook gefilterd wordt en hoe die filtering werkt? Hoeveel mensen weten eigenlijk of de prijzen die zij te zien krijgen bij een vliegtuigboeking dezelfde zijn als de buurman te zien krijgt als hij dezelfde reis boekt (sommige luchtvaartmaatschappijen laten mensen die met een Mac boeken hogere prijzen zien dan aan iemand die met een Windows-computer surft). Hoeveel mensen weten dat De Belastingdienst een afdeling heeft die erop gericht is om aan de hand van data-analyse het gedrag van Nederlandse belastingbetalers te veranderen? 

Het gebruik van onze gedragsgegevens is niet alleen een privacykwestie, maar gaat over manipulatie en autonomie. Hoe goed kennen bedrijven en overheden ons, hoe gebruiken ze die inzichten en welke invloed heeft dat op ons? 

Vrijheid van meningsuiting

En dat brengt ons op de laatste fundamentele waarde die onder druk komt te staan: de vrijheid van meningsuiting. De voorwaarde voor de vrijheid van meningsuiting is de vrijheid van meningsvorming. Burgers moeten in staat zijn om zonder inmenging van anderen in vrijheid informatie te zoeken en tot zich te nemen. Maar hoe kun je over vrijheid spreken als alles wat wij opzoeken, alles wat wij lezen, kijken en luisteren, online wordt geregistreerd, opgeslagen en geanalyseerd?

De ironie hier is natuurlijk dat wij veel van de online surveillance niet zien. Zij vindt onder de oppervlakte plaats, buiten ons gezichtsveld. We hebben de illusie dat wij ons online in vrijheid bewegen. Maar dat is niet the real world, dit is The matrix.

Voorwaardelijk burgerschap, uitholling van maatschappelijke solidariteit, nieuwe vormen van discriminatie, een verlies aan autonomie én de illusie van de vrijheid van meningsuiting. Deze grote, collectieve problemen als gevolg van de jacht op onze persoonsgegevens zien velen niet opdoemen. 

Het is tijd dat wij over deze bedreigingen gaan praten als we het over privacy, cookies of de NSA hebben. 

‘Ik heb niets te verbergen,’ zeg je?

Wij hebben veel te beschermen.

Je hebt wél iets te verbergen: Over het levensbelang van privacy van Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis is een uitgave van De Correspondent. Het boek ligt nu in de boekhandel en is online te bestellen via corr.es/kiosk

(Foto: Anouk van Kalmthout)

Auteur

Maurits Martijn schrijft voor De Correspondent over technologie, surveillance en privacy. Dimitri Tokmetzis is datajournalist en focust zich op de controle van de macht.

Privacydebat: meer voorbeelden nodig
Maarten Reijnders
door Maarten Reijnders
leestijd: 7 min

Te vaak gaan discussies over privacy in het digitale tijdperk over beleid. En te weinig over concrete voorbeelden van mensen die het slachtoffer zijn geworden van de surveillance state.

De oorlog in Syrië kwam vorige maand weer bij menigeen op het netvlies door de foto van het vijfjarige jongetje Omran Daqneesh, die bebloed en onder het stof wezenloos voor zich uitstaart na het zoveelste bombardement op Aleppo. Wat voor verschrikkingen bootvluchtelingen op weg naar Europa moeten doorstaan, kwam een jaar geleden bij ons binnen door de al even iconische foto van de driejarige Alan Kurdi die is aangespoeld op het strand.

Dergelijke persoonlijke verhalen over concrete slachtoffers maken grote verhalen over de burgeroorlog in Syrië of de vluchtelingencrisis tastbaar. En dat is vaak precies waar het in discussies over privacy en digitale burgerrechten aan ontbreekt: voorbeelden van concrete slachtoffers. Te vaak gaan die discussies over beleid, over plannen. Over potentiële privacy-inbreuken dus, niet over aanwijsbare personen die daarvan het slachtoffer zijn geworden. Terwijl dergelijke concrete voorbeelden broodnodig zijn om een groter publiek voor privacy in het internettijdperk te interesseren.

Surveillance state

Uitstekend dus dat Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis, journalisten bij De Correspondent, in hun boek Je hebt wel iets te verbergen onder meer het verhaal van Erik Pas vertellen: de ondernemer die bij zijn reis naar Los Angeles in februari 2015 de belangstelling van de Amerikaanse autoriteiten had gewekt omdat zij in de veronderstelling verkeerden dat hij zijn document om Amerika binnen te komen (ESTA) had aangevraagd vanuit Jordanië.

Wat de Amerikanen niet wisten, was dat Pas' internetaanbieder Vodafone kort daarvoor een serie IP-adressen had overgenomen van een partij uit Jordanië. Eén van die adressen had het bedrijf toegewezen aan Pas, waardoor de Amerikanen dachten dat hij zijn toegangsdocument voor de VS had aangevraagd vanuit Jordanië.

De Kafkaëske hel waarin Pas terechtkwam is een bijzonder sterk voorbeeld van waar een surveillance state toe kan leiden. En wel omdat iedereen begrijpt dat Pas ten onrechte als verdachte werd aangemerkt en omdat iedereen zich moet kunnen voorstellen dat ook hem of haar dit kan overkomen.

Edward Snowden

De belangstelling voor privacy is groter dan ooit. Toen de oorspronkelijke oprichters van de digitale-burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom in augustus 2006 hun opheffingsbijeenkomst hielden, pasten alle aanwezigen in een klein zaaltje boven het Amsterdamse café Heffer. Tegenwoordig verkoopt het 'nieuwe' Bits of Freedom elk jaar de Amsterdamse Stadsschouwburg uit voor de uitreiking van de Big Brother Awards. En Tokmetzis en Martijn lukte het vorige week om hetzelfde te doen met de Utrechtse stadsschouwburg voor hun boekpresentatie.

Die toegenomen belangstelling valt niet los te zien van de onthullingen van Edward Snowden over de digitale-spionagepraktijken van de NSA. Snowden heeft voor de discussie over privacy in het internettijdperk betekend wat Al Gore met zijn film An Inconvenient Truth heeft betekend voor de discussie over klimaatverandering.

Links en antibedrijfsleven

Tokmetzis en Martijn trekken in hun boek de parallel tussen de discussies over klimaatverandering en privacy. "Mijn indruk is dat veel privacy-activisten links en antibedrijfsleven zijn", tekenen Tokmetzis en Martijn op uit de mond van George Marshall, die is gespecialiseerd in klimaatcommunicatie. "Hun wereldbeeld is: deze multinationals willen hun macht uitbreiden en geld verdienen en daarom proberen ze het internet over te nemen."

Wie bij de boekpresentatie van Tokmetzis en Martijn de zaal inkeek, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat Marshall daarin wel een beetje een punt heeft. "Dit lijkt wel een bijeenkomst van GroenLinks en D66", zegt een bekende, die zelf politiek actief is voor D66, na afloop van de bijeenkomst tegen me.

De uitdaging voor privacy-voorvechters is om ook medestanders te vinden die nu niet op dergelijke avonden afkomen. Dat is namelijk waar het volgens Marshall misging bij het debat over klimaatverandering: omdat veel argumenten de vorm aannamen van kapitalismekritiek of pleidooien voor sociale rechtvaardigheid, keerden veel conservatieve en rechtse mensen zich van het onderwerp af. Voor die doelgroep heb je vermoedelijk meer aan een verhaal over een ondernemer als Pas die het slachtoffer werd van privacyschendende bureaucratie.

Adverteerders

In het eerste hoofdstuk van Je hebt wel iets te verbergen beschrijven Tokmetzis en Martijn hoe we bij het bezoek van sites en het gebruik van apps onze informatie delen met tal van partijen waar we geen weet van hebben. Op Nu.nl stuitten de twee bijvoorbeeld op 44 trackers, "onder meer van bedrijven die in hun voorwaarden schrijven dat zij de recente surfgeschiedenis en ingevoerde zoektermen van jou als sitebezoeker verzamelen, je type computer registreren en je demografische gegevens achterhalen".

Het is typisch zo'n voorbeeld waarvan menigeen zal zeggen: nou en? Oké, mijn informatie wordt met jan en alleman gedeeld. Maar wat gebeurt er vervolgens? Adverteerders blijven me wekenlang op tal van sites achtervolgen met reclame voor schoenen die ik al heb gekocht. Zoveel weten ze dus niet van me...

Te veel vertrouwen in data

Het verhaal van Pas laat echter zien dat dat precies het probleem is. De Amerikaanse autoriteiten handelen niet zoveel anders dan de adverteerders die niet door hebben dat ik dat paar schoenen al lang heb gekocht: ze hebben zoveel vertrouwen in de (privacygevoelige) data die ze verzamelen over mensen die naar de VS reizen dat ze er de verkeerde conclusie uit trekken. Namelijk dat Pas een potentieel gevaar is.

En dan kwam Pas er nog makkelijk vanaf. Twee nare ervaringen op het vliegveld, politieagenten aan de deur: er valt uiteindelijk mee te leven. Bij aanvallen die de Verenigde Staten met drones uitvoeren, wordt er op vergelijkbare wijze te werk gegaan: mensen krijgen een bom op hun huis omdat hun telefoonsignaal ooit is opgepikt op een plaats die bekendstaat als trainingskamp voor terroristen. Dat daarbij fouten worden gemaakt, is onvermijdelijk. Het wachten is op een iconische foto die het aldus veroorzaakte leed in beeld brengt.

Auteur

Maarten Reijnders (@rohy) was in 1996 mede-oprichter van e-zine SmallZine. Toen het eind 2004 stopte, was SmallZine met ruim dertigduizend abonnees één van de grootste Nederlandstalige e-zines. Van 2000 tot 2006 was Reijnders redacteur bij Webwereld. Nu is hij freelance journalist voor onder meer Bright en Wordt Vervolgd.

Design: hoe moeilijk kan het zijn?
Jasper van Kuijk
door Jasper van Kuijk
leestijd: 6 min

In zijn serie columns en een nieuw boek getiteld 'Hoe moeilijk kan het zijn?' wijst wetenschapper en cabaretier Jasper van Kuijk de weg naar een gebruiksvriendelijkere, intuïtievere en beter ontworpen wereld.

Heb je weleens ’s ochtends aan een collega die net binnenkomt gevraagd waarom hij of zij op tijd is? Die vraag is bijna niet te beantwoorden. Omdat de wekker op tijd afging? Omdat je niet hebt gesnoozed? Omdat je band niet lek was? Omdat de trein geen vertraging had? Omdat je jongste kind niet overgaf over je nette kleren vlak voordat je de deur uit zou gaan? Je zou heel veel redenen kunnen noemen. Maar iemand die te laat is, kan je wel precies vertellen hoe dat komt. Dan zijn er namelijk één of twee duidelijk aanwijsbare dingen misgegaan. Door dat te laat te komen krijg je ineens meer inzicht in wat er allemaal goed moet gaan als je op tijd op je werk wilt zijn.

Daarom focus ik op wat er misgaat bij producten en productontwikkeling. Het is vaak veel duidelijker wat er beter had gekund aan een mislukt product dan wat er goed is aan een succesvol product. De uitdrukking 'succes heeft vele vaders' geldt ook voor ontwerpen. Het succes van Apples iPhone is verklaard door experts op talloze gebieden, van marketing tot softwareontwikkeling, van interactieontwerpen tot werktuigbouwkunde. En elke expert concludeert dat zíjn discipline essentieel is geweest voor het succes van de iPhone. En dat is terecht. Dikke kans dat ze allemaal een beetje gelijk hebben. 

Want het is niet of-of, maar én-én. Om van een product een succes te maken moet alles kloppen: het moet de juiste functionaliteit bieden, voor de juiste prijs, via de goede kanalen worden aangeboden, gebruiksvriendelijk zijn, aantrekkelijk vormgegeven zijn, van goede kwaliteit zijn, en ga zo maar door. Daardoor is maar een fractie van de gelanceerde producten en diensten echt succesvol. Als je ziet hoe weinig ervoor nodig is om een product te laten mislukken, dan krijg je alleen maar meer waardering voor de succesverhalen.

De praktijk pakt anders uit

Toen ik bijna promoveerde sprak ik een collega van de afdeling Wetenschapscommunicatie en vroeg hem wat hij nou de hoofdboodschap van mijn proefschrift vond. Want ik had er vier jaar (oké, vijf) tot mijn nek in gezeten en was te veel expert op mijn eigen gebied geworden om nog helder te zien waar het nou echt over ging. Hij zei: 'Dat je zou verwachten dat fabrikanten tijdens productontwikkeling niks belangrijker vinden dan gebruiksgemak, maar dat dat niet zo is.' Ik had even een blik van een buitenstaander nodig om te zien dat het eigenlijk raar is dat gebruiksgemak tijdens productontwikkeling ondergesneeuwd of zelfs helemaal kwijt kan raken. 

Productontwikkelaars hebben vaak echt wel de intentie om hun producten gebruiksvriendelijk te maken, maar in de praktijk pakt het dan toch vaak anders uit. Toch niet genoeg tijd, geld en mensen. En dan heb je natuurlijk ook nog de teams die – eh, hoe zeg je dit netjes – volslagen incompetent zijn op het gebied van gebruiksgemak. En zo raakt onze wereld dus bevolkt door nogal wat complexe, trage en frustrerende producten.

Producten veranderen ons gedrag

Hoe moeilijk kan het zijn? laat je anders kijken naar al die dingen waarmee we ons omringen en die in grote mate bepalen hoe we leven en wat we doen (en wat niet). Waarom moeten we onze televisie bedienen met vijf afstandsbedieningen? Zijn we wel in staat om voortdurend toezicht te houden op een auto die zelf rijdt? Waarom is inbouwnavigatie in auto's vaak beroerder dan een kastje dat je voor 150 euro haalt bij de elektronicazaak? Waarom – waaróm – is de kleurcodering van paaseieren niet gestandaardiseerd? Ik wil je inzicht geven in de redenen waarom sommige producten niet goed passen bij onze vaardigheden, wensen en gedrag.

Je zult zien dat producten niet alleen moeten worden afgestemd op ons, maar ons ook veranderen. Door een elektrische fiets gaan we meer fietsen, terwijl onze conditie slechter wordt. Outlook en andere agenda-managementsoftware hebben het zo makkelijk gemaakt om afspraken te plannen dat we elkaar overspoelen met vergaderverzoeken. 'We shape our tools, and thereafter our tools shape us', zoals John Culkin ooit een idee van communicatiewetenschapper Marshall McLuhan verwoordde.

Design is overal

De titel Hoe moeilijk kan het zijn? kun je op twee manieren uitleggen. Ten eerste gaat het over hoe moeilijk producten het ons kunnen maken. Van die producten waar je op staat te schelden of die je het liefst door de kamer zou willen gooien. Hoe wij omgaan met producten is te beschrijven aan de hand van een aantal mooie principes en theorieën. Ik laat aan de hand van concrete voorbeelden algemene principes van mens-productinteractie aan bod komen. 

Ten tweede slaat de titel op hoe moeilijk het is om goede producten te maken. Als er iets mis is met een product, zat er vaak iets niet goed in het productontwikkelingsproces. En ook daar zijn onderliggende principes aan te wijzen.

Ik bespreek voorbeelden uit veel verschillende domeinen: auto's, voedsel, consumentenelektronica, websites, (financiële) dienstverlening, gebouwen, openbaar vervoer, de publieke ruimte. Ontwerpen is overal; het beperkt zich niet tot tafels en stoelen. Ontwerpen is veel meer dan wat we vaak  gepresenteerd zien onder de noemer 'design'. Ontwerpen is bedenken hoe iets moet gaan werken. En dat doe je voor plastic bestek, een stiltecoupé, een afstandsbediening, een zelfrijdende auto. De ontwerpprincipes die aan bod komen zijn vaak generiek en kunnen worden toegepast op veel gebieden en in diverse beroepen. 

Niet alleen ontwerpers ontwerpen. Iedereen die bedenkt hoe iets zou moeten werken is aan het ontwerpen. Jij misschien ook. Laten we gaan kijken naar wat er níet klopt, naar waar het om een of andere reden wringt. Omdat daar het meeste van te leren valt, maar ook omdat er weinig humor zit in perfectie.

Het boek 'Hoe moeilijk kan het zijn?' van Jasper van Kuijk verschijnt in oktober 2016 bij Maven Publishing Van Kuijk speelt de komende maanden zijn derde avondvullende programma, Onder de Streep. 

(foto: Roel van Tour) 

Auteur

Jasper van Kuijk is columnist, wetenschapper én cabaretier. Hij schrijft voor het satirische TV-programma Koefnoen, De Volkskrant en De Ingenieur.

Grand Gear: GoPro-drone en slimme klok
Rutger Otto
door Rutger Otto
leestijd: 6 min

In Grand Gear selecteren we maandelijks de mooiste nieuwe spullen voor je. Spullen die je bij het zien van de foto's in je handen wilt voelen.

GoPro-drone Karma

Er werd reikhalzend naar de drone van GoPro uitgekeken en eind oktober komt hij eindelijk op de markt. De Karma verschijnt op 23 oktober in de VS. Het is een quadcopter die je kunt opvouwen om hem gemakkelijk mee te nemen in de meegeleverde rugzak. De drone zou heel gemakkelijk te bedienen zijn en los betaal je er 870 euro voor. Dan heb je nog geen camera. De drone werkt samen met de nieuwe Hero 5 Black en Hero 5 Session of met de al eerder verschenen Hero 4-camera.

Klok als grote smartwatch

De minimalistische Glance Clock lijkt op het eerste gezicht niet erg interessant, tot je hem koppelt aan je smartphone. Dan presenteert de klok de meest relevante notificaties, zoals afspraken en herinneringen. Ook kun je het weerbericht erop checken en wordt je agenda gepresenteerd in verschillende kleuren blokjes. Wat er te zien is, bepaal je met een app. De Glance Clock is voorzien van Amazons spraakassistent Alexa, hij is niet heel groot: 23 centimeter in doorsnee. Hij kost 99 dollar op Indiegogo.

Lichtste e-bike ter wereld

De Model E van Budnitz is volgens de makers de lichtste elektrische fiets ter wereld. Hij is gemaakt van titanium, wat scheelt in gewicht. Dat materiaal zorgt er wel voor dat hij net zo sterk is als een fiets van ijzer. Met de Model E haal je een topsnelheid van 24 kilometer per uur en op een volle accu haal je 160 kilometer. Goedkoop is de fiets niet, want hij kost 3950 dollar. 

De friemelkubus van 5 miljoen dollar

Ben je iemand die altijd iets in zijn handen moet hebben? Dan is de Kickstarterkubus Fidget Cube iets voor jou. het is een klein kubusje met knopjes en joysticks om naar hartenlust mee te friemelen. Zo zijn er knopjes om penklikken te simuleren en zijn er tandwieltjes die je kunt rollen. Vijf knopjes zijn stil, zodat je mensen om je heen niet gek maakt. Nu te koop voor 19 dollar op Kickstarter, waar het een groot succes is.

Nikon-actiecamera Keymission

Een beetje camerafabrikant biedt tegenwoordig actiecamera’s aan. Nu pas stapt Nikon in die markt, met de KeyMission 360, 170 en 80. De getallen staan voor de hoek waarin de camera’s kunnen opnemen. Het topmodel is de KeyMission 360, die helemaal om zich heen filmt. De kleine zwarte kubus heeft twee 20 megapixel-camera’s die allebei in 1080p of in 4K kunnen opnemen. De KeyMission 170 en 80 hebben een iets andere vorm met wat mindere specificaties. Europese prijzen zijn nog onbekend, maar de 360 kost 499 dollar, de 170 kost 399 dollar en de 80 kost 279 dollar.

Flexibele beveiligingscamera voor buitenshuis

Concurrentie voor Nest: Canary introduceert een nieuwe slimme beveiligingscamera, de Flex. Als het apparaat met fraai pilvormig design beweging detecteert, begint hij een opname. Als hij vermoedt dat er iets vreemds gebeurt, stuurt hij je een melding zodat je kunt meekijken via een app. Hoe langer je de camera gebruikt, des te beter hij leert wat wel en niet interessant is. De Flex is waterdicht en draagbaar, zodat je hem overal kunt gebruiken - binnen en buiten. De camera verschijnt in november in de VS, waar hij 199 dollar kost. De Europese prijs is nog niet bekend. 

Auteur

Rutger Otto (@RTGR89) houdt van technologische ontwikkelingen, producten en designs die de wereld veranderen. Is daarnaast gek op films, games, muziek en dan met name Radiohead.